Europese rechtspraak

Gepubliceerd: 13 april 2026

Door:


Moet een nationale regeling op grond waarvan gemeenten met bijzonder hoge vastgoedprijzen de mogelijkheid krijgen om een regeling in te voeren voor het namens bepaalde groepen kopers financieel ondersteunen van ondernemingen worden beschouwd als een staatssteunregeling?

Introductie

In een op 26 maart 2026 gewezen zaak geeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) een verduidelijking over het begrip ‘steunregeling’ in het kader van de verplichting van lidstaten om elk voornemen tot nieuwe steun tijdig bij de Europese Commissie aan te melden (artikelen 107 lid 1 VWEU (verbod op staatssteun) en artikel 108 lid 3 VWEU (verplichting tot aanmelden bij de Europese Commissie).

In zaak C-58/25 ging het om een nationale regeling van de Vlaamse overheid die gemeenten met bijzonder hoge vastgoedprijzen de mogelijkheid biedt om een regeling in te voeren op grond waarvan de betrokken gemeente, namens een koper die voldoet aan bepaalde vereisten inzake zijn sociale situatie en zijn band met de betreffende gemeente, aan de verkopers van bepaalde gronden een deel van de aankoopprijs van de betrokken gronden betaalt. Het Hof oordeelt uiteindelijk dat een nationale regeling op zichzelf geen “staatssteunregeling” betreft in de zin van artikelen 107 en 108 VWEU wanneer een dergelijke regeling aan iedere gemeente de keuze laat om een dergelijke regeling in te voeren en bovendien ook aan iedere gemeente een beoordelingsmarge verleent bij de vaststelling van de voorwaarden om voor zulke projecten in aanmerking te komen alsmede van het deel van de prijs die wordt vergoed uit hoofde van de regeling.

Zaak

HvJ EU 26 maart 2026 ECLI:EU:C: 2026:255 (Fremoluc NV en Association de Promotion des Droits Humaines et des Minorités ASBL tegen Vlaamse Regering)

Feiten en prejudiciële vragen

In het hoofdgeding ging het om voorschriften van het Vlaamse Gewest (België) op grond waarvan bepaalde gemeenten bijzondere voorwaarden kunnen stellen aan de overdracht van gronden of woningen en die voorzien in financiële steun van deze gemeenten aan kopers, vastgelegd in het zogenaamde “WIES-decreet” van 23 juni 2023 van de Vlaamse overheid over wonen in eigen streek. In het decreet werd bepaald dat de Vlaamse regering elke zes jaar bij besluit een lijst vaststelt van gemeenten die binnen het toepassingsgebied vallen, waarbij het ging om de gemeenten met bijzonder hoge vastgoedprijzen. De gemeenten die opgenomen zijn in de lijst, kunnen dan bij gemeentelijk reglement bepalen dat de overdracht van bepaalde gronden en of woningen voorbehouden werd aan kopers van wie het inkomen onder bepaalde grenzen ligt en die een band met de betrokken gemeente aan kunnen tonen. Verder is in het WIES-decreet bepaald dat gemeenten die besluiten om dergelijke beperkingen toe te passen, namens de koper een deel van de aankoopprijs aan de verkoper van het goed kunnen betalen.

Vervolgens stelden Fremoluc (een investeringsmaatschappij) en de Association de Promotion des Droits Humaines et des Minorités (een vereniging voor de bevordering van mensenrechten en minderheden) beroepen tot vernietiging van het WIES-decreet ingediend bij het Grondwettelijk Hof van België. Zij voerden in essentie aan dat verschillende bepalingen van de Belgische Grondwet zijn geschonden, gelezen in samenhang met de Unierechtelijke bepalingen inzake de vrijheid van verkeer en de staatssteunbepalingen van artikel 107, lid 1 en artikel 108, lid 3 VWEU.

De verwijzende rechter richtte zich allereerst op de staatssteunbepalingen van artikel 107, lid 1 het verbod op staatssteun) en artikel 108 lid 3 VWEU (de verplichting van de lidstaten tot aanmelden van nieuwe steun), en stelde de volgende prejudiciële vragen aan het Hof:

  1. Dienen de artikelen 107, lid 1, en 108, lid 3, [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat een maatregel zoals die welke is vervat in artikel 10 van het [WIES‑decreet], nieuwe staatssteun vormt die bij de Europese Commissie moest worden aangemeld?  
  2. Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van het antwoord op de eerste prejudiciële vraag tot de conclusie zou komen dat het [WIES-decreet] de uit de in die vraag vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van het voormelde decreet definitief kunnen handhaven teneinde het gewettigd vertrouwen te respecteren van de particulieren die met toepassing van dat decreet een grond of een woning hebben verworven, alsook teneinde de rechtsonzekerheid te vermijden die de terugwerkende kracht van de vernietiging van dat decreet met zich zou kunnen meebrengen voor die personen, waarbij in het bijzonder hun huisvestingssituatie in het gedrang zou kunnen komen?

Beantwoording van de vragen

Het Hof begint de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag met de vaststelling dat deze vraag eigenlijk betrekking heeft op de vraag of artikelen 107 lid 1 en 108 lid 3 zodanig moeten worden uitgelegd dat een nationale regeling die gemeenten de mogelijkheid biedt om een regeling in te voeren op grond waarvan de betrokken gemeente namens een koper die aan bepaalde voorwaarden voldoet , aan de kopers van bepaalde gronden of woningen een deel van de aankoopprijs betaalt, beschouwd moet worden als een staatssteunregeling die bij de Commissie moet worden aangemeld, wanneer deze nationale regeling ten eerste de keuze om een gemeentelijke regeling in te voeren aan de gemeente laat, en ten tweede ook aan de gemeenten een beoordelingsmarge verleent bij de vaststelling van de voorwaarden om voor projecten in aanmerking te komen en van het deel van de prijs dat zou worden vergoed.

Het Hof wijst dan naar de verplichting die neergelegd is in Artikel 108 lid 3 VWEU voor de lidstaten om de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte te brengen. Daarna kijkt het Hof naar Verordening (EU) 2015/1589 betreffende nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU (de Procedureverordening). Artikel 2 lid 1 van de Procedureverordening bepaalt dat elk voornemen tot nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie moet worden aangemeld.

De definitie van “nieuwe steun” is te vinden in artikel 1 onder c) van dezelfde Verordening en luidt:

“steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun”.

Vervolgens kijkt het Hof naar de volgende definities uit de Procedureverordening:

-artikel 1 onder d) “steunregeling”: “elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend”.

-artikel 1 onder e) “individuele steun”: “steun die niet wordt toegekend op grond van een steunregeling, alsook steun die op grond van een steunregeling wordt toegekend en moet worden aangemeld “

Het Hof stelt dan vast dat in het onderhavige geval sprake is van gemeentelijke financiële tussenkomsten die verband houden met specifieke projecten, en dat dus moet worden gekeken naar het eerste onderdeel van deze definitie, namelijk het deel dat betrekking heeft op de bepalingen op grond waarvan aan ondernemingen die op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn. Het Hof distilleert uit het eerste deel van de definitie de volgende drie cumulatieve voorwaarden. Ten eerste moet er sprake zijn van een regeling op grond waarvan individuele steun wort toegekend aan ondernemingen. Ten tweede wordt die steun toegekend zonder dat hiervoor verdere uitvoeringsmaatregelen nodig zijn. Ten derde moeten de ondernemingen waaraan de individuele steun kan worden toegekend op “algemene “en “abstracte” wijze worden omschreven.

Het Hof brengt dan in herinnering dat uit eerdere rechtspraak volgt dat een zuiver technische toepassing van een bepaling die voorziet in de toekenning van steun geen verdere uitvoeringsmaatregel vormt in de zin van artikel 1 onder d) van verordening 2015/1589. Dan stelt het Hof dat het in het onderhavige geval gaat om een nationale regeling die slechts een algemeen kader vaststelt waarbinnen bepaalde gemeenten zelf kunnen besluiten financiële steunregelingen in te voeren, zonder dat dat de nationale regeling zelf rechtstreeks dergelijke steunregelingen invoert of alle voorschriften voor de uitvoering vastlegt. Hieruit volgt dat de nationale regeling de betrokken gemeenten niet de mogelijkheid biedt om, zonder nadere uitvoeringsmaatregelen, louter op basis van de nationale regeling financiële steun toe te kennen, en dat daarom de nationale regeling niet kan worden geacht zelf individuele steun toe te kennen.

Conclusie

Het Hof concludeert dat een nationale regeling die gemeenten met bijzonder hoge vastgoedprijzen de mogelijkheid geeft om een regeling in te voeren om de aankoop van bepaalde gronden of woningen te beperken ten gunste van kopers op basis van inkomen en het hebben van een bepaalde band met de gemeente, niet moet worden beschouwd als een staatssteunregeling die bij de Europese Commissie moet worden aangemeld wanneer deze regeling ten eerste aan iedere gemeente de keuze laat om al dan niet zo’n regeling in te voeren, en ten tweede ook aan de gemeenten een beoordelingsmarge verleent bij de vaststelling van de voorwaarden om voor projecten in aanmerking te komen en van het deel van de prijs dat kon worden vergoed.

Decentrale relevantie

Wanneer het zo is dat er op grond van een nationale regeling op zichzelf geen steun kan worden uitgekeerd zonder nadere uitvoeringsmaatregelen, kan de nationale regeling op zichzelf niet worden beschouwd als een steunmaatregel in de zin van Artikel 107 en 108 VWEU, en hoeft deze regeling niet bij de Europese Commissie te worden aangemeld. Dat betekent dat, wanneer gemeenten gebruik maken van de mogelijkheden in een nationale regeling om een dergelijke steunregeling in te voeren waarbij mogelijk wel verlening van staatssteun plaatsvindt, zij zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de staatssteuntoets.

Meer informatie

Zaak C-58/25, Hof van Justitie van de Europese Unie
Meldingsprocedure, Kenniscentrum Europa Decentraal