Nieuws

Publicatie: 26 mei 2026

Door:


De Europese Unie  heeft de kwaliteitsnormen voor oppervlakte- en grondwater aangescherpt. Dat raakt het dagelijks werk van waterschappen, provincies en gemeenten. Richtlijn (EU) 2026/805 wijzigt drie kerninstrumenten van het EU-waterrecht tegelijk: de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG), de Grondwaterrichtlijn (Richtlijn 2006/118/EG) en de Richtlijn Milieukwaliteitsnormen (Richtlijn 2008/105/EG), ook bekend als de Richtlijn Prioritaire Stoffen. De wijziging breidt de aanpak van chemische verontreiniging fors uit. Decentrale overheden krijgen te maken met bredere monitoring en met vergunningen die gevoeliger worden voor nieuwe stofnormen.

Wat verandert er per richtlijn?

De herziening volgt uit de verplichting voor de Europese Commissie om de lijsten met verontreinigende stoffen elke zes jaar te herzien (artikel 16 Kaderrichtlijn Water, artikel 10 Grondwaterrichtlijn, artikel 8 Richtlijn Milieukwaliteitsnormen). De drie richtlijnen grijpen op elkaar in:

  • De Kaderrichtlijn Water blijft het algemene kader. Hierin staan de doelen voor een goede ecologische en chemische toestand en de uitzonderingsgronden van artikel 4 voor uitstel of doelverlaging.
  • De Richtlijn Milieukwaliteitsnormen bevat de EU-brede milieukwaliteitsnormen voor de prioritaire stoffen uit Bijlage X Kaderrichtlijn Water. Die normen worden nu uitgebreid en aangescherpt. Nieuw op de lijst staan onder meer PFAS, geneesmiddelen zoals pijnstillers en hormonen, bisfenolen en verschillende bestrijdingsmiddelen.
  • De Grondwaterrichtlijn krijgt vergelijkbare aanvullingen voor grondwater, met nieuwe of strengere drempelwaarden voor onder andere PFAS en geneesmiddelen.

Belangrijk is het onderscheid tussen prioritaire stoffen en aandachtstoffen. Prioritaire stoffen krijgen bindende EU-brede milieukwaliteitsnormen. Aandachtstoffen, de zogeheten volglijst op grond van artikel 8 ter Richtlijn Milieukwaliteitsnormen, zijn stoffen waarvoor in de hele EU eerst monitoringsgegevens worden verzameld voordat de Commissie beslist of zij aan de prioritaire stoffenlijst worden toegevoegd. De recente herziening verschuift een aantal volglijst-stoffen naar de prioritaire stoffenlijst en plaatst zes andere stoffen, waaronder atrazine, terug op de nationale lijst.

Daarnaast voert de richtlijn effectgerichte monitoring in. Een waterbeheerder meet daarbij niet alleen losse concentraties, maar ook het gezamenlijke effect van stoffen samen, het zogeheten cocktaileffect.

Welke deadlines gelden?

De richtlijn moet voor 21 december 2027 in nationaal recht zijn omgezet. De gewijzigde en nieuwe milieukwaliteitsnormen gelden vanaf 22 december 2027. Voor de gewijzigde milieukwaliteitsnormen voor bestaande prioritaire stoffen geldt 22 december 2033 als uiterlijke datum waarop de goede chemische toestand bereikt moet zijn. Voor de nieuwe milieukwaliteitsnormen is dat 22 december 2039. Onder strikte voorwaarden, zoals natuurlijke omstandigheden, kan een termijn nog éénmaal worden verlengd tot uiterlijk 22 december 2045.

De hoofddoeltermijn van 2027 uit de Kaderrichtlijn Water, waarop alle waterlichamen een goede toestand moeten hebben, blijft staan. De herziening komt bovenop de bestaande verplichtingen, niet in de plaats daarvan.

Voor Nederland is dit gevoelig. Volgens de Nationale Analyse Waterkwaliteit van het Planbureau voor de Leefomgeving voldoen veel Nederlandse waterlichamen in 2027 naar verwachting nog niet aan de KRW-normen. Voor regionale wateren ligt het aandeel dat naar verwachting voldoet tussen 30 en 60 procent. De Kaderrichtlijn Water biedt twee uitwijkmogelijkheden voor de hoofddoeltermijn. Een lidstaat kan via artikel 4 lid 4 de termijn voor het bereiken van een goede toestand verlengen, in beginsel maximaal tweemaal met een periode van zes jaar. Met de planperiode tot 2027 als laatste reguliere ronde raakt die mogelijkheid daarna uitgeput, tenzij natuurlijke omstandigheden een verdere verlenging rechtvaardigen. Daarnaast kan een lidstaat via artikel 4 lid 5 doelverlaging toepassen. Dat betekent dat voor specifieke waterlichamen minder strenge milieudoelstellingen worden vastgesteld, wanneer het bereiken van de KRW-doelen technisch onhaalbaar of onevenredig kostbaar is. De Commissie heeft herhaaldelijk aangegeven dat zij doelverlaging alleen sporadisch en onder strikte voorwaarden aanvaardt. Zet een lidstaat de regels niet op tijd om, of haalt zij de doelen niet, dan kan de Commissie een inbreukprocedure starten.

Gevolgen per overheidslaag

De omzetting van Richtlijn (EU) 2026/805 in Nederlands recht is nog in voorbereiding. De precieze verdeling van taken hangt dus af van de keuzes van het Rijk. Op basis van de huidige rolverdeling vallen de volgende lijnen te verwachten.

Voor de waterschappen brengt de gewijzigde regelgeving uitbreiding van de monitoring met nieuwe stoffen, aanpassing van de vergunningverlening voor lozingen en herziening van de maatregelenprogramma’s. Dat zijn de programma’s waarin de waterbeheerder vastlegt welke maatregelen hij neemt om de KRW-doelen te halen (artikel 11 Kaderrichtlijn Water). Waterschappen hebben naar verwachting bredere meetpakketten en meer specialistische laboratoriumanalyses nodig, vooral voor PFAS en geneesmiddelen.

Provincies krijgen waarschijnlijk een zwaardere rol bij de bescherming van de chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen. Zij leggen de KRW-doelen voor de regionale wateren en grondwaterlichamen vast in het regionaal waterprogramma, monitoren de grondwaterlichamen (artikel 10.14g lid 2 Bkl) en zijn bevoegd gezag voor een beroep op de uitzonderingsmogelijkheden uit de Kaderrichtlijn Water. Voor grondwaterlichamen mag alleen de provincie zich op die uitzonderingen beroepen (artikel 4.16 Bkl), gemotiveerd in het regionaal waterprogramma. Daarnaast bevatten artikel 2.17 en 2.18 Bkl uitzonderingen om pas later of in mindere mate aan de omgevingswaarden voor grondwater te voldoen.

Gemeenten worden geen waterbeheerder, maar zullen de aanscherping merken in hun omgevingsrechtelijke praktijk. Strengere stofnormen werken door in ruimtelijke keuzes, in bouwprojecten met bemaling en in indirecte lozingen via het riool.

Wat kunnen decentrale overheden nu doen?

De omzetting in Nederlandse wetgeving loopt naar verwachting via de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving, en via aanpassing van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water en de Regeling monitoring kaderrichtlijn water. Lidstaten moeten de wijzigingen voor 21 december 2027 hebben omgezet. Hoewel decentrale overheden zich pas vanaf eind 2027 hoeven te houden aan de gewijzigde regels, kunnen zij al eerder beginnen met het nemen van maatregelen.

Een bruikbare eerste stap is een eigen analyse op drie punten: de eigen monitoring en laboratoriumcapaciteit, de vergunningen waarin PFAS, geneesmiddelen of bemaling een rol spelen, en de dossiers rond kwetsbaar grondwater en regionale wateren.

Bronnen

Meer informatie

Lees de volledige tekst van de richtlijn via EUR-Lex en de duiding van de KRW-voortgang op de website van Kenniscentrum Europa Decentraal.