RegioPost GmbH & Co. KG – Stadt Landau in der Pfalzk

HvJ-EU, 17 december 2015. Zaak C-115/14. Het Europese Hof van Justitie heeft bepaald dat bepaalde deelnemers aan aanbestedingsprocedures geweigerd kunnen worden wanneer ze weigeren om het minimumloon te betalen. Deze zaak vloeit voort uit de uitsluiting van het Duitse bedrijf Regiopost. Het bedrijf mocht niet deelnemen aan de aanbestedingsprocedure van een overheidsopdracht voor het uitvoeren van postdiensten voor de stad Landau.

Feiten

Het betreft een aanbestedingsprocedure uitgeschreven door de Stadt Landau voor de sluiting van een raamovereenkomst voor het ophalen, vervoeren en bezorgen van brieven, pakjes en pakketten. In de aankondiging is al gemeld dat inschrijvers verklaringen moeten tekenen waarmee zij instemmen met de voorwaarden van de DUI LTTG: ‘wet ter waarborging van de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten en het minimumloon bij de plaatsing van overheidsopdrachten’ van de deelstaat Rijnland-Palts van 1 december 2010. De Duitse regelgeving onderscheidt zich van de Nederlandse omdat op het ogenblik van de feiten er in Duitsland geen collectieve arbeidsovereenkomst bestond waarbij voor de sector van de postdiensten een verplicht minimumloon was vastgesteld. Pas later is in deze deelstaat een algemeen minimumloon ingevoerd.

Het Duitse Postbedrijf RegioPost maakt bij de Stadt Landau bezwaar tegen met name de verklaring inzake naleving van het minimumloon aangezien zij die in strijd acht met het aanbestedingsrecht. Die legt het bezwaar naast zich neer, waarna Regiopost binnen de gestelde termijn inschrijft. Zij dient daarbij ‘eigen’ verklaringen bij voor elke onderaannemer, maar niet voor haar eigen bedrijf. Zij wordt door Stadt Landau in de gelegenheid gesteld alsnog de ‘juiste’ verklaringen aan te leveren op straffe van uitsluiting van de procedure. RegioPost herhaalt haar eerder ingediende bezwaar maar bij besluit van 11 juli 2013 wordt dit bedrijf van de procedure uitgesloten waarop zij een procedure start.

Rechtsvraag

De Duitse rechter vraagt zich af of de DUI regeling verenigbaar is met EU-recht en stelt het Hof de volgende vraag:

Is deze regeling van de deelstaat Rijnland-Palts verenigbaar met het Unierecht en in het bijzonder met richtlijn 2004/18 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten? Volgens deze richtlijn mogen de aanbestedende diensten bijzondere voorwaarden opleggen waaronder de opdracht dient te worden uitgevoerd, mits deze verenigbaar zijn met het Unierecht en in de
aankondiging van de opdracht of in het bestek worden vermeld. Die voorwaarden kunnen verband houden met sociale overwegingen.

Uitspraak van het Hof

Ten aanzien van deze casus heeft het Hof vastgesteld dat richtlijn 2004/18 zich niet verzet tegen een wettelijke regeling waarbij inschrijvers en hun onderaannemers worden verplicht zich in een bij hun inschrijving gevoegde schriftelijke verklaring ertoe te verbinden om een vooraf vastgesteld minimumloon te betalen aan het met de uitvoering van de prestaties belaste personeel.

Transparant en niet-discriminerend

Volgens het Hof is deze verplichting een bijzondere voorwaarde die in beginsel door de richtlijn is toegestaan, aangezien zij betrekking heeft op de uitvoering van de opdracht en verband houdt met sociale overwegingen. Het Hof merkt op dat deze verplichting in dit geval zowel transparant als niet-discriminerend is. Ook is zij verenigbaar met een andere richtlijn van de Unie, namelijk richtlijn 96/71 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers, aangezien zij voortvloeit uit een wettelijke bepaling die voorziet in een minimumloon in de zin van deze richtlijn. Dit minimumloon maakt derhalve deel uit van het beschermingsniveau dat moet worden gewaarborgd voor werknemers die ter uitvoering van de overheidsopdracht ter beschikking zijn gesteld door in andere lidstaten gevestigde ondernemingen.

Het Hof oordeelt vervolgens dat richtlijn 2004/18 zich niet verzet tegen een wettelijke regeling waarbij wordt bepaald dat inschrijvers en hun onderaannemers worden uitgesloten van deelneming aan de procedure voor de gunning van een overheidsopdracht wanneer zij weigeren zich in een bij hun inschrijving gevoegde schriftelijke verklaring ertoe te verbinden om een vooraf bij die wettelijke regeling vastgesteld minimumloon te betalen aan het met de uitvoering van de prestaties belaste personeel.

Conclusie

Als bedrijven weigeren het minimumloon te betalen aan personeel dat een overheidsopdracht uitvoert dan kunnen zij uitgesloten worden van een aanbestedingsproces. Het is een opmerkelijk arrest omdat het afwijkt van de restricitieve lijn uit het Rüffert arrest als het gaat om het gebruik van openbare aanbestedingen voor het sociale beleid. Hoewel er technische verschillen bestaan is het met dit arrest duidelijk dat het Hof bereid is om kwesties als non-discriminatie anders te beoordelen wanneer het om politiek geladen kwesties gaat (waaronder sociaal beleid).