Nieuws

Publicatie: 21 januari 2026

Door: en


Interview met strategisch beleidsadviseur en projectleider van het scholenplan ToekomstWIJS, Lennert Marinus.

Slim, circulair en toekomstgericht. Dat is het plan van de nieuwbouw van het kindcentrum Albertine Agnes, waarvoor de gemeente Heerenveen de New European Bauhaus Boost for Small Municipalities (NEB) prijs heeft gewonnen.

De NEB-prijs is door de EU gelanceerd om kleine gemeenten te versterken. Elk jaar kunnen kleine gemeenten projectvoorstellen indienen die gericht zijn op circulariteit, duurzaamheid, inclusiviteit en toegankelijkheid.

Om voor een NEB-prijs in aanmerking te komen, moeten deelnemers aan verschillende vereisten voldoen, zoals voldoende ontwikkelingsniveau, een participatieve aanpak, een focus op de gebouwde omgeving (denk hierbij aan bouwen met aandacht voor onder andere klimaatneutraliteit en circulariteit, Red.) en overige NEB-criteria. De prijs geeft kleine gemeenten een financiële impuls van € 30.000.

Kun je iets vertellen over het project?

“In 2022 is het Duurzaam Integraal Huisvestingsplan voor primair onderwijs opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. Voorheen werd vooral ‘sober en doelmatig’ gebouwd, maar nu is bewust gekozen voor andere accenten: duurzaamheid, circulair bouwen en meer aandacht voor participatie en communicatie. Daarnaast spelen groene schoolpleinen een belangrijke rol.”

Het gaat niet om het project zo snel mogelijk afronden, maar om de juiste stappen nemen… we werken met gemeenschapsgeld en dat moeten we heel goed besteden.

“We hebben bestaande beleidsdocumenten van de gemeente en relevante nationale en Europese kaders doorgelopen en gekeken hoe we die ambities in onze projecten kunnen meenemen. Tegelijk hebben we als gemeente een grote opgave: veel schoolgebouwen zijn verouderd. Vanuit het huisvestingsplan, wat we tegenwoordig scholenplan ToekomstWIJS noemen, zijn concrete projecten voortgekomen. Eén daarvan is de Albertine Agnesschool, een gebouw dat ouder is dan 40 jaar en aan vervanging toe was. Daarmee zijn we aan de slag gegaan. We hebben daar direct ook de ambitie van een kindcentrum aan gekoppeld. (Kinderopvang, Red.). Het project is officieel van start gegaan in 2023 en de bouw zal waarschijnlijk beginnen in januari 2026.”

Waar komt die ambitie vandaan? Wat was de eerste impuls?

“Dat begint bij beleid en politieke keuzes. Soms staat beleid mooi op papier, maar dan ‘verstoft’ het. Wij wilden die ambities echt uitvoeren. Dat kost tijd en vraagt lef: niet kopiëren wat je altijd deed, maar jezelf afvragen of je het goed doet.”

Marinus vervolgt: “Ik denk dat het vooral een combinatie is van ambitie van het bestuur, collega’s en de partners waarmee we samenwerken. Als dat elkaar versterkt, leer je per project veel en daag je jezelf uit om het steeds beter en toekomstgerichter te doen.”

Hoeveel mensen hebben aan dit project meegewerkt? Welke specialisten waren betrokken?

“Er zijn veel mensen bij dit project betrokken geweest. Het begint bij de samenwerking tussen de school, de kinderopvang en de gemeente. Samen stellen we een advies op richting het college. Tegelijkertijd gaan we al vroeg het gesprek aan met de buurt. We presenteren de plannen en halen input op, bijvoorbeeld over aandachtspunten in de omgeving. Binnen de gemeente schuiven veel vertegenwoordigers vanuit disciplines vanuit verschillende afdelingen aan. Denk collega’s van juridische zaken, ruimtelijke ordening of verkeer. Ook vanuit de school en de kinderopvang werken projectteams mee, ieder met hun eigen achterban.”

En hoe verliep/verloopt de samenwerking?

“De samenwerking met externe partijen verloopt goed. Het is belangrijk om goede adviseurs te betrekken, omdat wij als gemeente niet alle specialistische kennis zelf in huis hebben. We willen juist de markt vragen om ons te adviseren en te helpen om anders te bouwen dan traditioneel en hiermee de grenzen op te zoeken van toekomstgerichte en circulaire bouwen. Ook merken we dat je bij een niet-traditionele aanpak tegen hobbels aanloopt. Als je iets anders doet dan “zoals altijd”, brengt dat nu eenmaal uitdagingen met zich mee. Ook intern heeft iedereen een andere rol en moet je met elkaar durven kijken naar andere keuzes.”

Hoe zijn raad en inwoners betrokken? En hoe ga je om met verwachtingen?

“In scholenplan ToekomstWIJS hebben we veel nagedacht over participatie en communicatie. De raad heeft het besluit genomen dat er een nieuwe school komt. Maar de precieze invulling, zoals verkeer, infrastructuur, het schoolplein en hoe de buurt hier tegenaan staat, weet je niet allemaal vooraf. Daarom betrekken we de buurt actief, door middel van informatieavonden, nieuwsbrieven en duidelijke uitleg op de website. Goede communicatie is daarbij cruciaal, maar we willen het proces ook toegankelijk en begrijpelijk te houden. Daarom proberen we heel duidelijk te maken waar bewoners wél invloed op hebben en waar niet. In het begin was dat best uitdagend, om inwoners te betrekken in het project. De school komt op een krappe kavel en wordt groter, en dat roept zorgen op. Er zijn verschillende groepen, ouders die blij zijn met een nieuwe school, maar ook omwonenden die geen directe band meer hebben met de school.”

Helderheid is belangrijk. Anders ontstaan verwachtingen die je niet kunt waarmaken, en dat leidt tot frustratie.

“Voor direct omwonenden doen we extra moeite. Waar nodig gaan we persoonlijk langs om het gesprek aan te gaan of nodigen hen uit op het gemeentehuis om het project toe te lichten. Dat levert soms kritische, maar altijd waardevolle gesprekken op. Deze aanpak helpt ook bij het managen van verwachtingen. Alles bij elkaar doen we dit om het draagvlak te versterken. We zitten nog in de vergunningfase en er is, tot nu toe, geen bezwaar ingediend. Bezwaar maken kan altijd in Nederland, maar als het niet gebeurt, is dat vaak een teken dat er voldoende draagvlak is opgebouwd.”

Hebben jullie subsidies gebruikt? En wat doen jullie met de €30.000 prijzengeld?

“We maken vaker gebruik van duurzaamheidssubsidies, bijvoorbeeld voor de verduurzaming van bestaand vastgoed. Voor deze nieuwbouw hebben we geen specifieke subsidies ingezet, al verandert het subsidielandschap voortdurend. Zo zijn er recent nieuwe regelingen voor het gebruik van elektrisch gereedschap. We bekijken momenteel of we daarvoor in aanmerking komen. Het prijzengeld van €30.000 zetten we niet direct in voor de bouw zelf. We willen dat bedrag juist samen met kinderen en de omgeving benutten en laten aansluiten bij de reden waarom we de prijs hebben gekregen. Dat willen we nadrukkelijk niet top-down invullen; luisteren staat voorop.”

In het project benoemen jullie aandacht voor gezondheid en pedagogiek. Wat betekent dat concreet?

“Het welzijn van het kind is het uitgangspunt. We beginnen bij hun behoeften en de rest volgt. De school en de kinderopvang weten het beste wat daarvoor nodig is en worden daarom actief gevraagd om input. Die input nemen we zo veel mogelijk mee in het ontwerp, en hun visie staat centraal. Zo is er behoefte aan buitenonderwijs, wat wordt vertaald naar concrete voorzieningen, zoals stopcontacten buiten.”

We doen dit voor die kinderen, de toekomstige generatie. Het zou heel gek zijn als dit een prestigeproject wordt: misschien een mooi gebouw, maar totaal niet functioneel.

“Ook is er de wens om optredens te organiseren, wat vraagt om een centrale ruimte met een ontmoetingsfunctie, zoals een theater. Bij het ontwerp van het schoolgebouw kijken we naar een gezonde leeromgeving. Daarbij spelen aspecten als ventilatie, daglicht, materiaalgebruik en de relatie met de buitenruimte een rol. Dit komt terug in keuzes zoals grotere raampartijen en mogelijkheden voor buitenonderwijs. De school en kinderopvang leveren hiervoor input via een ruimtelijk programma. Daarmee kan de gemeente toetsen of het uiteindelijke ontwerp aansluit bij het onderwijsconcept en bij het welzijn van het kind.”

Hoe nemen jullie biodiversiteit in jullie project mee?

“Op verschillende manieren. We vergroenen schoolpleinen, beperken verharding waar mogelijk, en kijken in projecten ook naar bomen, groen en inrichting van de omgeving. We onderzoeken wat de bijdrage kan zijn aan biodiversiteit, bijvoorbeeld door ruimte te maken voor planten en dieren, en door elementen zoals nestvoorzieningen.”

Jullie zeggen dat traditionele bouwmethoden niet meer houdbaar zijn. Waarom?

“Duurzaamheid speelt een belangrijke rol in de materiaalkeuzes. Omdat grondstoffen schaarser worden en de wereldeconomie onvoorspelbaarder is wordt hergebruik steeds belangrijker. Door anders te bouwen en herbruikbare materialen toe te passen, verminderen we de afhankelijkheid van externe grondstoffen. Bij het kiezen van materialen richten we ons bewust op kwaliteit in plaats van goedkopere oplossingen. Materialen die duurzamer zijn en minder onderhoud vragen, hebben de voorkeur, omdat de school uiteindelijk de onderhoudskosten draagt. Door losmaakbaar te bouwen en materialen goed vast te leggen in een materialenpaspoort, kun je ze in de toekomst hergebruiken. Dan ben je minder afhankelijk van nieuwe grondstoffen. Vroeger werd er niet zo gebouwd; er werd bijvoorbeeld gelijmd in plaats van geschroefd, waardoor hergebruik lastiger was. Nu bouwen we daadwerkelijk anders.”

Jullie noemen ook ‘weinig onderhoud’ en kwaliteit van materialen. Kun je een concreet voorbeeld geven?

“We kijken niet alleen naar investeringskosten, maar ook naar onderhoudskosten. Omdat het onderhoud vaak bij het schoolbestuur ligt, moeten materialen worden doorgerekend op levensduur en onderhoud. Je kunt kiezen voor een houtsoort die sneller onderhoud vraagt, of voor kwalitatief beter materiaal dat langer meegaat. Dat is vaak duurder in aanschaf, maar voordeliger in onderhoud en duurzamer over de levensduur. Die afweging maken we transparant samen met het schoolbestuur. Tegelijk moet het betaalbaar blijven voor de gemeente, dus we zoeken balans. De beweging is echter duidelijk richting hogere kwaliteit en een langere levensduur.”

Jullie spreken over “toekomstgericht” en “energieneutraal”. Hoe pakken jullie dat concreet aan?

“We moeten het onszelf niet te moeilijk maken. Toekomstgericht klinkt groot, maar het gaat erom dat je in elke stap van het proces bewuste keuzes maakt. Daarom rekenen we materialen door en vragen we ons af: wat is de impact op Co2-uitstoot? Kunnen we materialen hergebruiken of al hergebruikte materialen toepassen? Met de juiste tools en de juiste mensen, ook vanuit de markt, wordt het proces juist interessant en leuk.”

Wij kunnen ideeën hebben over circulair bouwen, maar we moeten juist ook de markt vragen om ons te adviseren om het anders te doen dan traditioneel.

“Maar niet alles is meteen 100% duidelijk. Soms doe je het op het ene vlak goed en op het andere minder. Door ambities te stellen en te blijven onderzoeken, leer je ook voor volgende projecten. Toekomstbestendig bouwen hoeft daarbij niet ingewikkeld te zijn. Het draait om consequent rekening houden met de omgeving, keuzes doorrekenen en kritisch kijken naar de impact van materialen. Met de juiste mensen en tools wordt het proces overzichtelijker en levert elke projectfase nieuwe inzichten op. Het gaat om een goede balans tussen investering, kwaliteit en toekomstbestendigheid, en dat is een wezenlijk onderdeel van toekomstbestendig bouwen.”

Tot slot: welke tips hebben jullie voor andere decentrale overheden?

“Bij onderwijshuisvesting is de gemeente verantwoordelijk voor de investering en de school voor het onderhoud. Juist daarom is het belangrijk om ambities gezamenlijk af te spreken en het traject echt als een samenwerking te benaderen. Dat draagt bij aan draagvlak en zorgt voor voortgang. Ook vraagt dit van gemeenten dat zij blijven leren en openstaan voor nieuwe werkwijzen. Veel gemeenten werken aan vergelijkbare ambities. Het is daarom belangrijk om deze ambities expliciet uit te vragen en hierop te sturen, bijvoorbeeld door te kiezen voor losmaakbaar en circulair bouwen. De markt kan hierin veel betekenen, maar het is aan de gemeente om helder te formuleren wat zij verwacht. Daarnaast is het belangrijk om niet alleen naar de korte termijn te kijken. Als keuzes pas over tien of twintig jaar worden bijgesteld, is dat te laat. Daarom moeten beslissingen nu zorgvuldig worden genomen, met het oog op de toekomst en voor de kinderen.”