Nieuws

Publicatie: 16 maart 2026

Door: en


Woningbouw is in de kern een nationale opgave, maar Europese regelgeving – van klimaat tot staatssteun – legt er stevige randvoorwaarden op. Daarmee is het een complex dossier en tegelijk hét thema waar politiek en bestuur in Nederland zich intensief mee bezighouden. Wij spraken hierover met Chris Kuijpers, directeur-generaal Volkshuisvesting en Bouwen.

Wat zijn de belangrijkste oorzaken van het Nederlandse woningtekort?

“Daar kun je eigenlijk een heel interview aan wijden, maar in de kern gaat het om een paar dingen. De eerste oorzaak ligt in de periode van de financiële crisis, rond 2010/2011. Toen zakte de woningbouw volledig in en zijn er bij gemeenten, projectontwikkelaars en ook bij het Rijk veel mensen en afdelingen verdwenen die zich met bouwen bezighielden. Die kennis en ervaring krijg je niet zomaar terug: het opbouwen daarvan kost veel meer tijd dan het afbouwen destijds.

“De tweede oorzaak is de schaarse ruimte in Nederland. Woningbouw moet altijd passen binnen talloze ruimtelijke en politieke randvoorwaarden, en dat maakt de besluitvorming vaak ingewikkeld en tijdrovend. Het bouwen zelf is meestal niet het probleem, maar de voorbereiding en procedures eromheen kosten de meeste tijd.”

“Tot slot heb je de financiële kant. De verhouding tussen investeringen en rendement is scheefgegroeid, waardoor bouwen minder aantrekkelijk is geworden. Als je die drie blokken bij elkaar neemt – het verlies van kennis en capaciteit, de complexe procedures en de financiële context – dan heb je zo’n 80% van de oorzaken van het woningtekort te pakken.”

Je kunt in Nederland eindeloos procederen. Moeten we daar iets aan veranderen?

“Ja. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting hebben we al stappen gezet, bijvoorbeeld één beroepsinstantie en strengere termijnen. Zo was er in Weesp een uitzonderlijk voorbeeld: steeds opnieuw werden ongeveer dezelfde bezwaren ingediend, ook al waren ze telkens ongegrond. Bezwaar kunnen maken is een groot goed, maar dat soort herhaling voelt als misbruik van de bezwaarprocedures, terwijl we bij zo’n urgent vraagstuk als woningbouw eigenlijk die vertraging niet kunnen hebben.”

Hoe wordt er op rijksniveau samengewerkt met de Europese Commissie of andere lidstaten rondom wonen en ruimtelijke ordening?

“Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting zijn van oudsher geen Europese thema’s, omdat de bevoegdheid bij de lidstaten ligt. Toch zie je dat dit verandert: de ruimtelijke schaarste en de effecten van Europese regelgeving maken het steeds relevanter. Inmiddels is er zelfs een Commissaris aangesteld die naast energie ook woningbouw in zijn portefeuille heeft. Dat is niet voor niets: overal in Europa stijgen koop- en huurprijzen en ontstaan vergelijkbare problemen.”

Er moet rekening worden gehouden met het verschillende tempo van lidstaten zonder de basiskwaliteit los te laten.

“De uitdaging is dat de systemen per land sterk verschillen. In Nederland spelen bijvoorbeeld de woningcorporaties een grote rol, terwijl de Commissie dat instituut nauwelijks kent en soms regels toepast die hier niet goed passen. Daarom is het belangrijk te voorkomen dat er generieke Europese maatregelen komen, terwijl lidstaten hun eigen wet- en regelgeving hebben, gebaseerd op hun geschiedenis. Hoe de Commissie dit precies gaat vormgeven, wordt spannend.”

Merk je al iets van het werk van de Europese Commissaris voor Energie en Huisvesting?

“Ja. Er is bijvoorbeeld een uitvraag geweest naar de belemmerende oorzaken voor woningbouw in de verschillende landen. Ook heeft de minister met de Commissaris gesproken over zijn plannen. Concreet speelt er een discussie die al langer loopt: mogen woningcorporaties ook meer middenhuur realiseren? De Commissie lijkt daar nu in mee te bewegen. Voor Nederland zou dat betekenen dat corporaties ook buiten de DAEB om meer kunnen doen in de lage middenhuur, waar de vraag groot is en het aanbod beperkt. Ik denk dat er genoeg ruimte is voor zowel private partijen als corporaties om dit samen op te pakken.”

Er lijkt spanning te bestaan tussen de snelheid die nodig is in het realiseren van woningbouw en de juridische complexiteit van staatssteun- of aanbestedingsprocedures. Hoe kijkt u daartegenaan?

“Die spanning is er zeker. Procedures zijn ingewikkeld en duren lang. We hebben het systeem zo complex gemaakt dat je wel van hele goeden huize moet komen om het allemaal te begrijpen. Dat is lastig, zeker voor kleine gemeenten die vaak maar 0,5 tot 1,5 fte hebben voor het hele woonbeleid.”

“De achterliggende regels staan niet ter discussie, maar de manier waarop ze zijn vormgegeven is te complex. Denk aan het Didam-arrest: dat zorgde voor veel consternatie, terwijl de impact uiteindelijk meeviel. Maar door de ingewikkelde procedures is het makkelijk fouten te maken en duurt alles erg lang. Dat komt niet alleen door regelgeving uit Europa, maar dat zijn ook consequenties van nationaal of gemeentelijk beleid of van extra eisen die we stellen aan woningbouw. Gemeenten voegen vaak eigen duurzaamheidsambities toe. Maar als je zoveel eist dat er uiteindelijk niet meer gebouwd wordt, schiet je je doel voorbij. Ik denk dat meer praktisch en realistisch denken helpt. Je hoeft niet altijd 100% je gelijk te halen. Als je 80% haalt en er wordt daadwerkelijk gebouwd, dan kunnen mensen tenminste wonen.”

Stikstof Natura 2000 komt natuurlijk uit Europa, iets waar woningbouwprojecten veel tegenaan lopen. Hoe kijkt u daar naar?

“Europa speelt een rol, maar de lidstaten hebben daar zelf ook keuzes gemaakt. Zo hebben wij in Nederland gekozen voor een ondergrens van 0,005 mol/ha/jaar, maar in Duitsland is die grens anders. Ook de manier van meten maakt verschil. Het zijn beleidskeuzes. Wat ooit logisch was, is dat nu niet altijd meer. Maar aanpassing wordt al snel als een ‘geitenpaadje’ gezien.”

Hoe kun je maatschappelijke woningbouw binnen het Europese staatssteunkader het beste vormgeven?

“Ik denk dat het zou helpen om ruimte te creëren voor maatschappelijke initiatieven en die niet één op één gelijk te trekken met private initiatieven. In bredere zin vind ik dat de EU lidstaten meer discretionaire bevoegdheden moet geven op dit soort terreinen. Toen ik met milieu en circulariteit bezig was, zag je dat Europa overal dezelfde doelstellingen wilde opleggen. Maar de situatie in lidstaten verschilt enorm. In Bulgarije werd afval bijvoorbeeld alleen in Sofia opgehaald, in de rest van het land niet. In Nederland hebben we een goed systeem: we scheiden en recyclen veel. Wij kunnen doelstellingen van de Commissie waarmaken, maar Bulgarije kan dat niet. Je moet dus rekening houden met het verschillende tempo van lidstaten zonder de basiskwaliteit los te laten.”

“In de Omgevingswet hebben we bijvoorbeeld een standaard experimenteerartikel opgenomen. Daarmee kun je tijdelijk afwijken van bestaande regels. Dat is nuttig, want vaak zijn nieuwe regels een reactie op problemen van gisteren. Tegen de tijd dat ze er zijn, is de situatie alweer veranderd. Dus je moet flexibiliteit inbouwen, maar wel zonder de rechtszekerheid aan te tasten. Daar is namelijk ook behoefte aan. Iets meer regelruimte bij partijen kan al veel verschil maken.”

Hoe zoekt het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening die ruimte binnen de regels?

“Wij hebben een korte notitie gemaakt waarin we uitleggen wat de ruimtelijke ordening in Nederland betekent voor de uitvoering van Europese wet- en regelgeving, en waar we tegenaan lopen. Dit doen we samen met landen die vergelijkbare problemen hebben, zoals bijvoorbeeld België en Denemarken. Samen proberen we meer aandacht te krijgen voor het idee van een territoriale impactanalyse bij Europese regelgeving. Daarmee kun je beter rekening houden met verschillen in ruimtelijke omstandigheden.”

Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting zijn van oudsher geen Europese thema’s, maar de ruimtelijke schaarste en de effecten van Europese regelgeving maken het steeds relevanter.

“Bijvoorbeeld Nederland groeit sterk door arbeidsmigratie en immigratie, terwijl landen als Polen en Roemenië juist kampen met een uitstroom van mensen. De EU moet daarom meer rekening houden met de verschillen. Dat vergroot ook het draagvlak voor Europa, daar ben ik van overtuigd.”

Flexwonen wordt vaak genoemd als onderdeel van de oplossing voor de woningnood. Welke kansen en knelpunten ziet u voor flexwonen in relatie tot Europese regelgeving?

“Voor Europese regelgeving speelt flexwonen geen grote rol. Het vraagstuk zit vooral in de locaties: flexwoningen zijn vaak tijdelijk. Als een locatie vervalt, moet je bepalen waar de woningen daarna heen kunnen. We hebben gemeenten gestimuleerd om tijdelijk woningen te plaatsen op plekken waar pas over enkele jaren iets ontwikkeld wordt. Daar is ook een garantieregeling voor, zodat projecten in uiterste gevallen toch doorgang vinden. Maar het knelpunt zit dus vooral in de businesscase, niet zo zeer het Europese.”

“Het voordeel van flexwonen is dat de woningvoorraad flexibeler wordt. De vraag verandert door de tijd: tien jaar geleden spraken we in delen van het land, zoals Friesland of Limburg, van krimp. Nu is er juist een enorme vraag. Flexibele woningen spelen daarop in. Ook is de kwaliteit sterk verbeterd. Het zijn geen containerwoningen meer, maar hoogwaardige, modulaire woningen die fabrieksmatig gebouwd worden. Het is jammer dat het te weinig gebeurt, want er zouden veel mensen dolblij zijn met een flexwoning voor de komende tien jaar.”

Welke kansen en uitdagingen zie je voor decentrale overheden op het gebied van woningbouw en het toepassen van het Europese staatssteunkader?

“Woningbouw is per definitie lokaal, maar vraagt steeds meer om regionale afstemming: wat bouwen we en voor wie? Gemeenten en regio’s moeten dit echt prioriteit geven. Ik verwacht dat dit ook na de gemeenteraadsverkiezingen een belangrijk thema blijft.”

“Belangrijk is dat de kennis om goed met staatssteunregels om te gaan op orde is en breed beschikbaar blijft. Je wilt niet halverwege een traject ontdekken dat er iets geregeld had moeten worden wat is nagelaten. Goede informatievoorziening en kennisoverdracht zijn dus cruciaal. En waar we kunnen vereenvoudigen of meer ruimte kunnen geven, moeten we dat zeker doen, zonder de staatssteun als principe ter discussie te stellen. In de uitwerking en de manier waarop wij die regels in Nederland toepassen, zit nog wel ruimte.”