Nieuws

Publicatie: 20 april 2026

Door:


Op 31 maart 2026 heeft de Europese Commissie nieuwe richtsnoeren gepubliceerd voor de pragmatische en evenredige uitvoering van de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG). De Vogelrichtlijn beschermt vogels die in Europa in het wild leven en hun meest belangrijke leefgebieden. De richtsnoeren zijn gericht op het ondersteunen van nationale, regionale en lokale overheden bij het interpreteren en uitvoeren van de Vogelrichtlijn. Provincies spelen een belangrijke rol bij de bescherming van wilde vogels, omdat zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden.

Doel van de Vogelrichtlijn

Wilde vogels spelen een onmisbare rol in het in stand houden van de Europese biodiversiteit en gezonde ecosystemen. Echter, stedelijke uitbreiding, transportnetwerken en intensieve landbouw, bosbouw en pesticidegebruik hebben ertoe geleid dat meer dan een derde van alle wilde vogels wordt bedreigd door verlies, aantasting en verkleining van hun leefgebieden, voedselaanbod, rustplaatsen en broedgebieden. Daarnaast dragen milieuvervuiling en niet-duurzame en illegale jacht bij aan de verdere bedreiging van wilde vogels.

Daarom beschermt de Vogelrichtlijn samen met de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) alle van nature in het wild levende vogelsoorten in de EU en hun meest belangrijke leefgebieden. De Vogelrichtlijn streeft dit doel na via twee kernpijlers:

  1. Het beschermen van de leefgebieden van vogelsoorten (plaatsgebonden bescherming) (artikelen 3 en 4);
  2. Het instellen van een algemeen beschermingssysteem voor alle soorten met bepaalde verboden (soortbescherming) (artikelen 5 t/m 9)

De Vogelrichtlijn beschermt samen met de Habitatrichtlijn alle van nature in het wild levende vogelsoorten in de EU en hun meest belangrijke leefgebieden.

Nieuwe richtsnoeren voor artikelen 5 en 9 van de Vogelrichtlijn

De nieuwe richtsnoeren verduidelijken de regels voor soortbescherming, specifiek artikelen 5 en 9 van de Vogelrichtlijn. Hoewel richtsnoeren bijdragen aan het verbeteren van de praktische werking en consistente uitvoering van de bepalingen in de Vogelrichtlijn, worden de bepalingen hierin niet gewijzigd, aangevuld of vervangen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat richtsnoeren niet juridisch bindend zijn.

Verboden activiteiten

Artikel 5 voorziet een aantal verboden die de lidstaten in hun nationale wetgeving moeten implementeren:

  • het opzettelijk doden of vangen van wilde vogels;
  • het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren van wilde vogels;
  • het rapen of in bezit hebben van eieren van wilde vogels;
  • het opzettelijk storen van wilde vogels;
  • het houden van wilde vogels die niet mogen gejaagd of gevangen mogen worden.

De richtsnoeren vatten de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie samen met betrekking tot de interpretatie van artikel 5. Zo gelden de bovenstaande verboden zonder tijdsbeperking, maar de nationale maatregelen en regels kunnen rekening houden met seizoensgebonden factoren en alleen tijdens specifieke perioden worden toegepast, mits naar behoren gemotiveerd, denk aan de broedperiode. Daarnaast herhalen de richtsnoeren dat de verboden van toepassing zijn op de volledige geografische reikwijdte van de Vogelrichtlijn, d.w.z. zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden.

Verder lichten de richtsnoeren het begrip ‘opzettelijkheid’ in artikel 5 lid 1 onder a, b en d nader toe. Onder opzettelijkheid worden handelingen verstaan die tot doel hebben vogels te vangen, te doden of te verstoren of hun nesten te vernietigen of te beschadigen. Opzet betekent ook dat iemand doorgaat met een handeling, terwijl die persoon weet en accepteert dat er een grote kans is dat er verboden schade ontstaat. Er is kan dus al sprake zijn van opzettelijkheid en een verboden activiteit onder artikel 5, als een boer besluit zijn akker te oogsten zonder de bedoeling om nesten te beschadigen. Daarom is de rol van nationale autoriteiten, waaronder provincies, essentieel voor het creëren van bewustzijn door middel van proactieve informatievoorziening en preventieve maatregelen.

De rol van nationale autoriteiten, waaronder provincies, is essentieel voor het creëren van bewustzijn door middel van proactieve informatievoorziening en preventieve maatregelen.

Tot slot leggen de richtsnoeren uit hoe lidstaten de vereisten onder artikel 5 kunnen integreren in vergunningsprocedures. Artikel 5 vereist geen specifieke effectbeoordelingen of vergunningsprocedures om aan de eisen te voldoen. Daarom kunnen de lidstaten zelf kiezen voor de meest geschikte middelen om de correcte implementatie en naleving van de Vogelrichtlijn te garanderen, zoals door integratie in bestaande vergunningsprocedures vastgelegd in de Habitatrichtlijn, Milieueffectbeoordelingrichtlijn (Richtlijn 2011/92) of Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s.

Uitzonderingen op de verboden activiteiten

Om een evenwicht aan te brengen tussen biodiversiteit en sociaaleconomische behoeften bevat Artikel 9 een aantal streng gecontroleerde uitzonderingen op de verboden in artikel 5. Wanneer er geen alternatieve bevredigende oplossing bestaat, mogen lidstaten er in bepaalde gevallen voor kiezen om af te wijken van deze verboden in hun nationale wetgeving:

  • omwille van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
  • omwille van de veiligheid van het luchtverkeer;
  • ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;
  • ter bescherming van flora en fauna;
  • voor onderzoek en onderwijs;
  • voor het uitzetten van soorten; of
  • voor het vangen en houden van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden en onder strenge controle.

Daarbij moet de nationale wetgeving wel het volgende vermelden:

  • De soorten waarvoor de afwijkende bepalingen gelden;
  • De toegestane middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden;
  • De voorwaarden en tijds- en plaatsomstandigheden waaronder de maatregelen mogen worden genomen;
  • De bevoegde autoriteit om te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan;
  • De controles die zullen worden uitgevoerd.

De richtsnoeren maken duidelijk dat deze uitzonderingen helder moeten zijn en precies moeten aangeven wanneer hiervan afgeweken mag worden. Iedere vergunning die een afwijking verleent, moet daarom volledig en expliciet verwijzen naar de voorwaarden waaraan de afwijking moet voldoen. Verder gaan de richtsnoeren dieper in op iedere afzonderlijke grond van afwijking van artikel 5. Zo moeten afwijkingen op grond van de volksgezondheid en openbare veiligheid alleen verleend worden wanneer deze belangen de bescherming van vogels overschrijft. Bijvoorbeeld, de aanwezigheid van vogeluitwerpselen of nesten is niet voldoende om een ontheffing te verlenen. Er moet namelijk worden aangetoond dat de locatie of het aantal nesten zodanig zijn dat er een reëel gezondheidsrisico ontstaat.

De uitzonderingen op de verboden activiteiten onder artikel 5 van de Vogelrichtlijn moeten helder zijn en precies aangeven wanneer van artikel 5 afgeweken mag worden.

In specifieke gevallen moet een afweging gemaakt worden tussen verschillende rechtsbelangen. Volgens artikel 16 septies van de Richtlijn Hernieuwbare energie (Richtlijn 2023/2413) wordt er bijvoorbeeld vanuit gegaan dat vergunningprocedures voor de planning en bouw van installaties voor hernieuwbare energie bijdragen aan de bescherming van de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Hierdoor kan in sommige gevallen een ontheffing op grond van artikel 9 lid 1 onder a van de Vogelrichtlijn verleend worden om hernieuwbare energie te stimuleren.

Decentrale relevantie

In Nederland is de Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Omgevingswet. De verboden activiteiten onder artikel 5 van de Vogelrichtlijn worden door artikel 5.1 lid 2 onder g van de Omgevingswet aangemerkt als flora- en fauna-activiteiten waar een vergunning voor nodig is. Zulke flora- en fauna-activiteiten zijn verboden zonder vergunning onder artikel 11.37 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt de basis van het natuurbeleid in Nederland. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones bestaande uit onder andere nationale parken en Natura 2000-gebieden. Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd. Provincies verantwoordelijk voor het NNN op het land en de Rijksoverheid is verantwoordelijk voor het natuurbeleid op de Noordzee, Waddenzee, de Eems-Dollard, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta en de grote rivieren. 

Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het vaststellen van vogelbeschermingsmaatregelen.

Artikel 2.18. lid 1 onder g van de Omgevingswet bepaalt dat de provincies zorgdragen voor het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden in overeenstemming met de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het vaststellen van actieve vogelbeschermingsmaatregelen in omgevingsverordeningen en provinciale ruimtelijke plannen, het verlenen van vergunningen en ontheffingen voor flora- en fauna-activiteiten en het toezicht en de handhaving van de regels in de Vogelrichtlijn binnen hun provinciegrenzen. De praktische voorbeelden in de richtsnoeren kunnen daarom de provincies helpen bij het aanscherpen van hun natuurbeleid met betrekking tot de verboden activiteiten en ontheffingsgronden in de Vogelrichtlijn.

Bronnen