Vorig jaar schreven wij over de Raadpleging die de Europese Commissie hield ten aanzien van de herziene Verordening met betrekking tot mededingingsrechtelijke beoordeling van technologieoverdrachtovereenkomsten. Op 21 april 2026 heeft het publicatiekantoor van de Europese Unie een nieuwe Verordening en begeleidende Richtsnoeren gepubliceerd.
Dit gaat om Commissieverordening 2026/877 over de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht gepubliceerd (hierna “Nieuwe GVTO”), en Commissiemededeling 2026/2323 van Richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 101 van het VWEU op technologieoverdrachtovereenkomsten.
Eigendomsrechten
Artikel 101 van het VWEU verbiedt – kort gezegd – kartelafspraken door en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, ongeacht de economische activiteit die zij uitoefenen. De nieuwe GVTO geeft alleen de mogelijkheid om specifieke overeenkomsten van karteltoezicht uit te zonderen waarin de houder van intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) licenties verstrekt aan licentienemers om technologie te gebruiken voor het aanbieden van (nieuwe) goederen of diensten. Intellectuele-eigendomsrechten (IE-rechten) geven de eigenaar in principe het recht om anderen te verbieden een bepaalde technologie te gebruiken zonder toestemming (bijvoorbeeld via een licentie). Omdat zulke rechten concurrentie kunnen beperken, vallen afspraken hierover in beginsel onder artikel 101, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), maar deze kunnen de rechtvaardiging onder lid 3 genieten waarin de Commissie met de nieuwe GVTO voorziet.
De richtsnoeren zien op de mededingingsrechtelijke beoordeling van technologieoverdrachtovereenkomsten in het algemeen, dus zowel onder artikel 101 lid 1 als onder lid 3 van het VWEU. Deze geven aan dat verreweg de meeste technologieoverdrachtovereenkomsten concurrentie stimuleren, omdat ze:
- technologie kunnen helpen verspreiden, bijvoorbeeld door vorderingen wegens inbreuk op IE-rechten weg te nemen, zodat licentienemers hun eigen technologie kunnen promoten (vrijheid van ontwerp);
- licentienemers de mogelijkheid geven te innoveren, efficiëntiewinsten te behalen;
- bijvoorbeeld door technologie te combineren; of
- distributiekostenbesparingen kunnen opleveren.
Technologieoverdrachtovereenkomsten kunnen echter ook de prikkel wegnemen tot innovatie of doorontwikkeling van concurrerende technologieën. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer partijen elkaar toegang geven tot de technologieën die zij al bezitten, maar ook tot technologieën die zij nog zullen ontwikkelen. Dit vermindert de kans op technologische voorsprong van één van de partijen wat zowel het wettelijke IE-rechtensysteem als de concurrentie ondermijnt.
Risico’s
De kans op samenspanning, coördinatie, onder sommige omstandigheden collusie genoemd, is groter bij markten die weinig, mogelijk grote, aanbieders van producten van hetzelfde soort hebben. Zulke markten – oligopolies genoemd – kunnen transparant zijn omdat de aanbieders elkaars prijs en productkwaliteiten kennen, kunnen hoge toetredingsdrempels hebben waaronder hoge gemeenschappelijke kosten. Hierdoor zouden aanbieders gemakkelijker tot onderlinge afstemming van prijzen of andere concurrentiebenodigdheden kunnen komen. Technologieoverdrachtovereenkomsten kunnen de totstandkoming van zulke collusie of coördinatie in dergelijke markten stimuleren, wat indruist tegen de functie van de mededingingsregels. Bij technologieoverdrachtovereenkomsten kunnen licentiegevers ook het betrekken van alternatieve technologie door licentienemers uitsluiten, wat het voor alternatieve technologieleveranciers bijzonder moeilijk kan maken om de technologie te leveren aan de licentienemers.
Daarom legt de Verordening een systeem vast met voorwaarden waar technologieoverdrachtovereenkomsten aan moeten voldoen om onder artikel 101 lid 3 van het VWEU te vallen:
- Allereerst moeten partijen bij de overeenkomst de relevante markten afbakenen waarop de overeenkomst betrekking heeft dan wel effect sorteert.
- Partijen die op dezelfde markten actief zijn mogen max. 20% aandeel van die markt bedienen. Partijen die op verschillende markten actief zijn mogen max. 30% marktaandeel hebben. Dit aandeel wordt berekend volgens artikel 8 van de Commissieverordening.
- De overeenkomsten mogen geen zgn. hardcore beperkingen bevatten. Dat zijn directe of indirecte strekkingen van de overeenkomst om voor concurrenten:
a. Prijzen van aan derde doorverkochte producten vast te stellen
b. Productie te beperken.
c. Klanten of geografisch de economische activiteit te verdelen, met enkele uitzonderingen.
d. Mogelijkheden tot exploitatie van IE-rechten van de licentienemer te beperken
of, voor partijen die geen onderlinge concurrenten zijn:
a. Prijzen van aan derde doorverkochte producten vast te stellen, behalve maximum- of aanbevolen verkoopprijzen, tenzij dit bij druk of gegeven prikkels door één van de partijen hetzelfde effect heeft als een vaste of minimumprijs
b. Beperking van gebieden voor actieve/passieve verkoop van gecontracteerde producten, met enkele uitzonderingen
c. Beperking van actieve/passieve verkoop door licentienemers via selectieve distributie op detailhandelsniveau aan eindgebruikers - De overeenkomsten mogen ook geen van de volgende voorwaarden bevatten:
a. De verplichting tot het verlenen van een exclusieve licentie of overdracht van rechten voor eigen aanpassingen aan de gegeven technologie;
b. De verplichting om geldigheid van IE-rechten die andere partijen bezitten niet aan te vechten.
Verschillen met vorige GVTO
De geldende GVTO (Commissieverordening 316/2014) geldt nog tot 30 april 2026. De nieuwe verordening gaat vanaf 1 mei 2026 van toepassing zijn op ‘knowhow’, deels als onderdeel van overdrachten van technologierechten, of op het specifiek in licentie geven of toekennen van knowhow aan licentienemers. Knowhow betreft volgens artikel 1 lid 1 aanhef en onder b) en i), respectievelijk artikel 2 lid 3 van de Verordening:
- praktische kennis die voortvloeit uit ervaring en onderzoek,
- die niet algemeen bekend, gemakkelijk verkrijgbaar of anderszins geheim is,
- die belangrijk en nuttig (‘wezenlijk’) is om de gecontracteerde producten te maken, en
- zodanig beschreven is om de wezenlijkheid en geheimzinnigheid te kunnen vaststellen.
De richtsnoeren bevatten zoals aangekondigd nieuwe informatie over de mogelijke concurrentiebeperkingen van technologiepools (onder punt 4.4, vanaf p. 55) en hun mogelijke rol bij industriële standaarden, en onderhandelingsgroepen van licentienemers (onder punt 4.5, vanaf p. 61). Deze vervangen vanaf hun publicatiedatum de eerdere Mededeling uit 2014, maar dienen als leidraad bij de interpretatie van de regels in plaats van als gezaghebbende regels (zie daarvoor punten 3 en 4 en voetnoot 1 uit de nieuwe Mededeling GVTO). Artikel 10 van de nieuwe GVTO geeft overeenkomsten die uiterlijk op 30 april 2026 afgesloten zijn en aan Verordening 316/2014 voldoen tot 30 april 2027 de gelegenheid om aan de nieuwe GVTO te voldoen.
Decentrale relevantie
Onder vrij uitzonderlijke omstandigheden kan een decentrale overheid als onderneming onder deze Verordening vallen. Bij ontwikkeling van nieuwe producten kan de overheid het bedrijfsleven aantrekken. Dit kan bijvoorbeeld in het kader van het innovatiepartnerschap, één van de mogelijkheden om innovatieve producten te helpen ontwikkelen. Als de decentrale overheid de resultaten uit die procedure vervolgens gaat verhandelen, zal dat in concurrentie plaatsvinden met andere ondernemingen, al dan niet betrokken bij het partnerschap. Voor dergelijke activiteiten geldt de Mededingingswet, met zowel de algemene mededingingsregels, als ook de gedragsregels markt en overheid. Daartoe vallen ook de rechtvaardigingsmogelijkheden zoals weergegeven onder deze Commissieverordening.
In de meeste gevallen heeft een decentrale overheid belang bij innovaties als zij deze in het algemeen belang kan inzetten. Als het gebruik van de overheid van de resultaten niet op verhandeling is gericht, is zij voor de inkoopactiviteit geen onderneming in de zin van het mededingingsrecht. De inkoop is namelijk onlosmakelijk verbonden met het latere gebruik. Zie hiervoor de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak FENIN (C-205/03), rechtsoverweging 26, laatst aangehaald in het arrest Commissie tegen Finland (gevoegde zaken C‑262/18 P en C‑271/18 P), rechtsoverweging 48.
Meer informatie
Commissie actualiseert EU-mededingingsregels voor technologielicentieovereenkomsten (Persbericht) – Europese Commissie
Innovatiepartnerschap bij aanbesteden, Kenniscentrum Europa Decentraal