Kan een financiële bijdrage aan stichtingen voor bijzonder onderwijs worden aangemerkt als staatssteun?

april 2016

Als gemeente willen wij stichtingen voor bijzonder onderwijs graag financieel ondersteunen. Volgens de Europese regelgeving voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) vallen diensten voor openbaar onderwijs niet onder de Europese staatssteunregels. Bijzonder onderwijs verschilt echter van openbaar onderwijs. Kan financiering van bijzonder onderwijs, in tegenstelling tot openbaar onderwijs, daarom dan mogelijk wel worden aangemerkt als staatssteun?

Antwoord in het kort

Nee, het verstrekken van financiële ondersteuning aan stichtingen voor bijzonder onderwijs kan niet worden aangemerkt als staatssteun, tenzij de stichting dit gebruikt ten behoeve van andere economische activiteiten. De ontwerpmededeling staatssteun van de Europese Commissie (uit 2014) stelt dat openbaar onderwijs als een niet economische activiteit wordt beschouwd. Daarnaast is het in het Nederlandse onderwijsstelsel zo geregeld dat er geen verschil is in de toekenning van overheidsgeld voor het openbaar en het bijzonder onderwijs. Daarom kan worden aangenomen dat ook financiële steun aan diensten voor bijzonder onderwijs meegaat onder dezelfde uitzonderingsgrond als voor het openbaar onderwijs.

Onderwijs en staatssteun

Voor het beoordelen van een situatie waarin mogelijk staatssteun aan de orde is, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of de steunmaatregel aan alle voorwaarden uit het Europees staatssteunverbod voldoet. Uit de ontwerpmededeling staatssteun valt af te leiden dat de Europese Commissie onderwijs beschouwt als een niet economische dienst van algemeen belang, omdat het een overheidstaak betreft. Dit geldt voor openbaar onderwijs dat binnen het nationale onderwijsstelsel wordt gefinancierd en onder staatstoezicht staat. Zodoende wordt er niet aan alle criteria van staatssteun voldaan en is er geen sprake van staatssteun

Onderwijs als economische activiteit?

Het Hof van Justitie van de EU stelt bovendien dat een nationaal onderwijsstelsel niet als doel heeft om tegen vergoeding werkzaamheden te verrichten. Hiermee is onderwijs, wanneer het een deel uitmaakt van een nationaal onderwijsstelsel, dus in principe geen economische activiteit. Er moet echter wel altijd rekening gehouden worden met eventuele economische activiteiten die een onderwijsinstelling wel zou kunnen verrichten. Deze activiteiten kan een dergelijke instelling dus niet onder bovenbedoelde algemeen uitgezonderde onderwijstaken van niet economisch karakter laten vallen. Dit geldt dus zowel voor activiteiten/diensten van openbare onderwijsinstellingen als voor bijzondere onderwijsinstellingen.

Europese ontwerpmededeling staatssteun

De toelichting van de Commissie op de kwestie ‘onderwijs en staatssteun’ in de ontwerpmededeling staatssteun is leidend voor vragen over onderwijs en staatssteun. De ontwerpmededeling schetst echter uitsluitend een algemeen kader dat geldt voor alle EU lidstaten. Om na te gaan hoe dit doorwerkt in de EU lidstaten moet er worden gekeken naar de wijze waarop dit in nationale wet- en regelgeving is geregeld. In relatie tot deze specifieke praktijkvraag is van belang dat de Commissie enkel aan ‘openbaar onderwijs’ refereert en geen uitspraak doet over financiering van bijzonder onderwijs.

Hof van Justitie EU

Het Hof van Justitie van de EU geeft in zaak C-318/05 een nadere definitie van ‘openbaar onderwijs’ in de zin van de Europese dienstenrichtlijn. Volgens het Hof gaat het daarbij om een onderwijsstelsel dat door de overheid wordt gefinancierd, geen werkzaamheden tegen vergoeding verricht en een sociale, culturele en opvoedkundige taak voor de bevolking vervult. Om na te gaan of het bijzonder onderwijs in Nederland onder de bovengenoemde uitzonderingsgrond voor staatssteun valt, gaan wij hieronder kort in op het onderwijsstelsel in Nederland.

Het onderwijsstelsel in Nederland

In Nederland is er volledige financiële gelijkstelling tussen het openbaar en het bijzonder onderwijs. Bijzondere basisscholen krijgen evenveel geld van de overheid als openbare basisscholen. Deze gelijkstelling is geregeld in artikel 23 van de Nederlandse grondwet. Dit artikel stelt openbare en bijzondere scholen financieel aan elkaar gelijk en regelt de verhouding tussen de overheid en de onderwijsinstellingen.

Bijzonder onderwijs

Uit artikel 23 van de grondwet is af te leiden dat de overheid de opdracht heeft om actief zorg te dragen voor het goed functioneren van het onderwijsstelsel als geheel. Tegelijkertijd moet zij zich terughoudend opstellen, omdat scholen (ook de openbare) een zekere vrijheid hebben om het onderwijs volgens eigen opvattingen in te richten. Ook is in dit artikel onder lid 7 vastgelegd dat bijzondere scholen recht hebben op dezelfde financiële steun van de overheid als openbare scholen.

Conclusie

Hoewel de uitzondering van de staatssteun ontwerpmededeling verwijst naar openbare onderwijsinstellingen, kan er voor het Nederlandse onderwijsstelsel op basis van de Nederlandse onderwijswetgeving worden aangenomen dat bijzonder en openbaar onderwijs niet ongelijkwaardig gefinancierd worden vanuit de overheid. De genoemde uitspraak van het Hof van Justitie van de EU verduidelijkt deze kwestie. Er kan worden aangenomen dat voor steun aan bijzondere scholen dezelfde staatssteun- uitzonderingsbepalingen kunnen worden toegepast als voor openbare scholen gelden.

Door:

Petra Werkman en Paul Zondag, Europa decentraal

Meer informatie:

Onderwijs en staatssteun, Europa decentraal
Staatssteun en DAEB, Europa decentraal
DAEB en staatssteun, Europa decentraal
Onderwijs, Europa decentraal
Praktijkvraag ‘Is een school een onderneming?’ Europa decentraal
Ontwerpmededeling staatssteun, Europese Commissie

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG

X