Waar moet u op letten bij het gebruik van de de-minimisverordening als u steun wilt verlenen?

maart 2019

Onze gemeente is voornemens aan een stichting subsidie te verstrekken voor activiteiten die kwalificeren als staatssteun. Aangezien het gaat om een relatief laag bedrag overweegt onze gemeente gebruik te maken van de de-minimisverordening. Wat zijn de voor- en nadelen van deze keuze en waar moet u op letten bij het verlenen van deze steun?

Antwoord in het kort

Het gebruik van een de-minimisverordening heeft voor decentrale overheden doorgaans meer voordelen dan nadelen. Het belangrijkste voordeel is dat het een laagdrempelig instrument is om steun te verlenen, waarbij de administratieve lasten beperkt zijn. Immers, er hoeft alleen een de-minimisverklaring te worden ondertekend door de begunstigde en de steunverlenende autoriteit moet in de steunmaatregel expliciet verwijzen naar de de-minimisverordening. Daarnaast is de verlening van de-minimisssteun vormvrij waardoor de de-minimisverordening op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden kan worden toegepast. Het nadeel kan daarentegen zijn dat niet altijd goed is na te gaan of de begunstigde daadwerkelijk voldoet aan alle vereisten die voortvloeien uit de de-minimisverordening.

De-minimissteun

De Europese Commissie wil voor steun van relatief beperkte financiële omvang niet telkens hoeven te toetsen wat de impact van die (voorgenomen) steun is ten aanzien van de mededinging en het handelsverkeer tussen lidstaten . Daarom heeft de Commissie bepaald dat bij de-minimissteun (vrij vertaald: “kleinigheden”) de eventuele verstoring zo klein is, dat er geacht wordt geen sprake te zijn van staatssteun. De algemene bovengrens van de-minimissteun is € 200.000,- per onderneming over drie opeenvolgende belastingjaren. Overigens gelden er andere plafondbedragen voor de-minimissteun die specifiek in de sectoren primaire landbouw, visserij en vervoer over de weg wordt verleend.

Steun aan een zelfstandige of verbonden onderneming

In de de-minimisverordening wordt het begrip ‘onderneming’ verduidelijkt in artikel 2, lid 2. Het is voor steunverlenende autoriteiten van belang om dit onderscheid in acht te nemen, omdat de toepassing van de de-minimisverordening kan verschillen naar gelang het gaat om een zelfstandige dan wel een verbonden onderneming.

Een verbonden onderneming voldoet aan tenminste één van de onderstaande criteria. Een verbonden onderneming..

  1. .. heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een
    andere onderneming;
  2. .. heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuur, of het leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
  3. .. heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met die onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;
  4. Een verbonden onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die onderneming.

Twee ondernemingen met een franchise zijn overigens niet noodzakelijk verbonden ondernemingen. Dat hangt af van wat er in de franchiseovereenkomst staat. Als door de franchiseovereenkomst echter één van de vier bovenstaande banden ontstaat, worden de ondernemingen als verbonden ondernemingen beschouwd.

Cumulatie van staatssteun

Mogelijk heeft een onderneming voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de-minimissteun eerder staatssteun ontvangen. De steun kan zijn verleend onder de toepassing van een Groepsvrijstellingsverordening (bijvoorbeeld de AGVV) of op grond van een besluit waarin de Commissie de steun heeft goedgekeurd. In dit soort gevallen mag cumulatie van de de-minimissteun met deze al eerder ontvangen steun er niet toe leiden dat het drempelbedrag van € 200.000,- wordt overschreden.

Voorbeeld
Indien een gemeente voor het doen van een haalbaarheidsstudie op basis van de AGVV steun verleent ter hoogte van 50% van de in aanmerking komende kosten, mag de gemeente bovenop deze steun voor dezelfde kosten geen de-minimissteun meer verlenen aangezien het om dezelfde kosten gaat. De-minimissteun mag wel worden verleend als de subsidie-aanvrager subsidie vraagt voor andere kosten dan waarvoor de kennisgeving is gedaan (die dus losstaat van de haalbaarheidsstudie).

Verklaring de-minimissteun

De steunverlenende autoriteit die de de-minimissteun verleent dient aan de begunstigde te vragen om een ‘de-minimisverklaring’ te ondertekenen waaruit blijkt dat het drempelbedrag (tot € 200.000,- over drie belastingjaren) niet wordt overschreden. Het vragen van deze verklaring door de steunverlenende autoriteit is een vereiste, omdat er momenteel geen centraal register bestaat voor de-minimissteun en dus niet op andere wijze door de steunverlener gecontroleerd kan worden of het toelaatbare maximale de-minimisbedrag anders zou worden overschreden. Elke overheidsinstantie kan binnen haar eigen bevoegdheidsdomein steun verlenen en staat zelf in voor de conformiteit met de staatssteunregels. Aangezien er voor de-minimissteun geen melding dient te worden gedaan aan de Europese Commissie is er geen overzicht van alle verleende de-minimissteun. Alleen de begunstigde onderneming kan dus weten hoeveel de-minimissteun zij reeds heeft ontvangen.

Door:

Europa decentraal i.s.m. het Coördinatiepunt Staatssteun Decentrale Overheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

X