Europees recht en beleid

Laatste update: 25 augustus 2022

Contact:


Wilt uw als decentrale overheid een relatief laag steunbedrag verlenen aan een onderneming? Afhankelijk van de hoogte van het steunbedrag en de betrokken sector, kunnen decentrale overheden steun verlenen op basis van een van de drie de-minimisverordeningen. Zo kan een agrariër een subsidie van maximaal €20.000,- ontvangen als de-minimissteun voor kosten, die betrekking hebben op de productie van zijn landbouwproducten. Ook kan een museum een subsidiebedrag onder de €200.000,- als de-minimissteun ontvangen voor bijvoorbeeld de exploitatie van een museum.

De verschillende de-minimisverordeningen worden hieronder opgesomd en kort toegelicht. Na de opsomming wordt een aantal voorwaarden uit de verschillende verordeningen toegelicht. Ook wordt de samenloop van steunverlening met de Wet Markt & Overheid uitgelegd.

Wat is een de-minimisverordening? 

Steun die verstrekt wordt op basis van een de-minimisverordening, heeft volgens de Europese Commissie maar beperkt effect op het handelsverkeer tussen lidstaten. De-minimissteun voldoet daardoor niet aan het vijfde staatssteuncriterium, dat er sprake moet zijn van een grensoverschrijdend effect. Hierdoor wordt niet aan alle cumulatieve criteria van het staatssteunverbod (art. 107 lid 1 VWEU) voldaan. De-minimissteun vormt daarom geen staatssteun en is dan ook vrijgesteld van de aanmeldingsplicht bij de Europese Commissie. Als de steunmaatregel van een decentrale overheid aan alle voorwaarden van een de-minimisverordening voldoet, is de steun dus toegestaan en kan die gewoon worden verstrekt.

Welke de-minimisverordeningen zijn er?

Een decentrale overheid kan gebruik maken van een van de vier de-minimisverordeningen. Het betreffen een reguliere de-minimisverordening en drie de-minimisverordeningen die van toepassing zijn op steunverleningen voor specifieke doeleinden sectoren; in de landbouw- of visserijsector en steun voor compensatie van Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB).

1. De reguliere de-minimisverordening

Op grond van de reguliere de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 1407/2013) kunnen  overheden, dus ook decentrale overheden, over een periode van drie belastingjaren tot maximaal €200.000,= aan steun verlenen aan een onderneming. De reguliere de-minimisverordening is in principe van toepassing op steun aan ondernemingen in alle sectoren, maar er gelden enkele specifieke regels voor bepaalde sectoren. Bijvoorbeeld voor de transportsector. Zo kan aan een onderneming, die voor rekening van derden goederenvervoer over de weg verricht, maximaal € 100.000,- over een periode van drie belastingjaren aan steun worden verleend, op basis van de reguliere de-minimisverordening.

2. De de-minimisverordening voor de landbouwsector

Op basis van de de-minimisverordening voor de landbouwsector (Verordening (EU) nr. 1408/2013) kan een maximaal steunbedrag van € 20.000,- over drie belastingjaren als de-minimisssteun worden gegeven aan primaire producenten van landbouwproducten. In Bijlage I bij het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VwEU) staat welke producten als landbouwproducten moeten worden aangemerkt. De productie van landbouwproducten valt onder de landbouw de-minimisverordening. De verwerking en afzet van landbouwproducten valt deels onder de reguliere de-minimisverordening. Het totaalbedrag van de-minimissteun in Nederland over drie belastingjaren aan de landbouwproductiesector, mag niet hoger zijn dan het bedrag genoemd in Bijlage I van de landbouw de-minimisverordening.

Het is mogelijk om het de-minimisplafond op nationaal niveau op te rekken naar maximaal € 25.000,-. Voorwaarde voor dit plafond is onder andere dat de lidstaat een centraal de-minimisregister invoert, zodat de verleende steun kan worden bijgehouden en gemonitord. Nederland beschikt op dit moment nog niet over een dergelijk register, dus het de-minimisplafond voor landbouw de-minimissteun is in Nederland nog steeds € 20.000,-.

Voor meer informatie over staatssteun aan de landbouwsector verwijzen wij u graag naar deze pagina.

3. De de-minimisverordening voor de visserijsector

Op basis van de de-minimisverordening voor de visserijsector (Verordening (EU) nr. 717/2014) kan over een periode van drie belastingjaren tot € 30.000,- aan de-minimissteun aan één onderneming in de visserij- en aquacultuursector worden verleend. Het totaalbedrag van de-minimissteun in Nederland over drie belastingjaren aan de visserij- en aquacultuursector mag niet hoger zijn dan het bedrag genoemd in de bijlage bij de visserij de-minimisverordening. Een specifieke eis die de Verordening stelt is dat de lidstaten op basis van de visserij de-minimisverordening geen de-minimissteun mogen verlenen voor de aanschaf of bouw van nieuwe vissersschepen. Lidstaten moeten verder zelf alle relevante gegevens vastleggen om aan te tonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. In de praktijk houdt dit in dat aan het overheidsorgaan dat de steun verleent, de plicht heeft om goed te documenteren of aan de voorwaarden voor steunverlening is voldaan.

Voor meer informatie over staatssteun aan de visserij- en aquacultuursector verwijzen wij u graag naar deze pagina.

4. De de-minimisverordening voor diensten van algemeen economisch belang

Een decentrale overheid kan ook de-minimissteun verlenen voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (hierna: DAEB). DAEB zijn diensten in het algemeen belang, die zonder compensatie door de overheid niet of niet onder economisch aanvaardbare voorwaarden zouden worden verricht door een onderneming. Een onderneming moet op grond van een geldig juridisch instrument belast worden met een DAEB, voordat deze compensatie mag ontvangen. Een voorbeeld van een DAEB is een onrendabele openbaarvervoersdienst. Op basis van de DAEB de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 360/2012) kunnen ondernemingen die een DAEB verrichten over een periode van drie belastingjaren tot maximaal € 500.000,- aan de-minimissteun ontvangen.

Voor meer informatie over staatssteun voor het verrichten van een DAEB verwijzen wij u graag naar deze pagina.

Welke voorwaarden stellen de de-minimisverordeningen aan het verlenen van steun?

De de-minimisverordeningen hebben een aantal belangrijke voorwaarden om steun te verlenen, die hieronder worden toegelicht. Zo is het belangrijk dat een decentrale overheid een de-minimisverklaring opvraagt bij de begunstigde onderneming, voordat de steun wordt verleend. Ook bevatten de de-minimisverordeningen regels voor het verstrekken van een lening of garantie als de-minimissteun.

1. Uitgezonderde sectoren

In artikel 1 van iedere de-minimisverordening staat welke sectoren zijn uitgezonderd. De volgende sectoren zijn in ieder geval (bijna) in zijn geheel uitgezonderd van enige vorm van de-minimissteun:

  • De verwerking en afzet van landbouwproducten in de volgende gevallen:
    • wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van dergelijke van primaire producenten afgenomen producten;
    • wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven (alleen niet uitgezonderd door de landbouw de-minimisverordening);
  • steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, namelijk steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of steun voor andere lopende uitgaven in verband met activiteiten op het gebied van uitvoer;
  • steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.

2. Zelfstandige onderneming

In de reguliere, de landbouw en de visserij de-minimisverordeningen wordt het begrip onderneming verduidelijkt. In artikel 2 lid 2 van deze Verordeningen wordt namelijk uiteengezet wanneer er sprake is van één zelfstandige onderneming. Indien twee ondernemingen een bepaalde band met elkaar onderhouden, kan het voor de toepassing van een de-minimisverordening zo zijn dat deze ondernemingen als één zelfstandige onderneming moeten worden gezien en zij dus maar eenmaal mogen worden gesteund met bedragen van maximaal het relevante drempelbedrag. Voor decentrale overheden is het van belang te weten wanneer een onderneming zelfstandig is of niet. Het de-minimisplafond geldt immers per zelfstandige onderneming.

3. Verplichte verwijzing naar de juiste Verordening

Als een decentrale overheid steun wil verlenen op basis van een van de bovenstaande de-minimisverordeningen, dan moet de begunstigde daar schriftelijk van op de hoogte worden gesteld. De begunstigde van de steunmaatregel dient op de hoogte te worden gesteld van het voorgenomen steunbedrag, uitgedrukt als bruto subsidie equivalent, en van het feit dat het om de-minimisssteun gaat. Daarbij is het van belang dat er in de steunmaatregel expliciet wordt verwezen naar de juiste de-minimisverordening en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dit staat in artikel 6 lid 1 van de reguliere, landbouw en visserij de-minimisverordening en in artikel 3 lid 1 van de DAEB de-minimisverordening. De juiste verwijzing naar de reguliere de-minimisverordening is bijvoorbeeld: Verordening betreffende de toepassing van artikelen 107 en 108 VWEU op de-minimissteun (Verordening (EU) Nr. 1407/2013 PbEU 2013 L 352).

4. De-minimisverklaring: cumulatie de-minimissteun

Bij de toepassing van een de-minimisverordening dienen decentrale overheden ook rekening te houden met de regels betreffende cumulatie. Voor reguliere de-minimissteun geldt bijvoorbeeld dat over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000,- aan steun mag worden verleend. Als dit plafond is bereikt, mag aan de onderneming in het betreffende jaar geen reguliere de-minimissteun meer worden verleend. In sommige gevallen kunnen steunbedragen die zijn verstrekt op basis van verschillende de-minimisverordeningen met elkaar gecumuleerd worden. Ter illustratie verwijzen wij graag naar een praktijkvraag over de mogelijkheid om naast DAEB de-minimissteun ook nog reguliere de-minimissteun te verstrekken.

Een decentrale overheid moet daarom de beoogde begunstigde van een steunmaatregel vragen om de-minimisverklaring in te vullen. Dit staat in artikel 6 lid 1 van de reguliere, landbouw en visserij de-minimisverordening en in artikel 3 lid 1 van de DAEB de-minimisverordening. In een de-minimisverklaring laat de onderneming zien welke de-minimissteun in de twee voorafgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar is ontvangen. Op basis van deze verklaring kan worden beoordeeld of de beoogde begunstigde nog de-minimissteun mag ontvangen. Hier vindt u een voorbeeldverklaring uit de Handreiking Staatssteun voor de Overheid (versie juli 2016) en de de-minimisverklaring die de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) gebruikt.

5. De-minimisverklaring: cumulatie met andere vormen staatssteun

Heeft een onderneming voor bepaalde activiteiten al eens staatssteun ontvangen op basis van een groepsvrijstellingsverordening (bijvoorbeeld de AGVV)? Of heeft een onderneming eerder voor bepaalde activiteiten staatssteun ontvangen die was goedgekeurd door de Europese Commissie? In dat geval mag de cumulatie van de de-minimissteun met al eerder ontvangen steun er niet toe leiden dat de hoogste toepasselijke steunintensiteit of het hoogste toepasselijke steunbedrag wordt overschreden. Het is belangrijk om te controleren of een onderneming voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de-minimissteun al eens eerder staatssteun heeft ontvangen. Aan de hand van de hierboven al genoemde de-minimisverklaring kan worden beoordeeld of er ruimte is om eerder verleende staatssteun te cumuleren met de-minimissteun. In artikel 5 van zowel de reguliere, de landbouw als de visserij de-minimisverordeningen staat wanneer dergelijke de-minimissteun gecumuleerd mag worden met andere staatssteun. In artikel 2 van de DAEB de-minimisverordening staan de regels voor cumulatie van DAEB de-minimissteun. Hier volgt een rekenvoorbeeld:

Stel dat een onderneming staatssteun heeft ontvangen van een decentrale overheid op basis van de AGVV voor 50% van de in aanmerking komende kosten voor een milieustudie. De AGVV staat een steunintensiteit van maximaal 50% toe voor steun aan milieustudies. Dan mag deze onderneming bovenop de steun op basis van de AGVV voor dezelfde kosten geen de-minimissteun meer ontvangen. In het geval dat het zou gaan om verschillende kosten, dan kan mogelijk nog wel de-minimissteun worden verleend.

Voor meer informatie over het cumuleren van de-minimisssteun met andere vormen van staatssteun verwijzen wij u graag naar de volgende praktijkvraag.

6. Leningen en garanties

Onder de vier de-minimisverordeningen kan steun vallen die de vorm heeft van leningen en garanties. Ook leningen boven het toepasselijke de-minimisplafond en met een looptijd langer dan drie jaar, kunnen onder voorwaarden een van de de-minimisverordeningen vallen. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in artikel 4 van deze de-minimisverordeningen. De voorwaarden voor leningen en garanties staan in de DAEB de-minimisverordening in artikel 2. Zo kan een lening van meer dan €200.000,- in drie belastingjaren dus worden verstrekt aan een begunstigde op basis van een van de de-minimisverordeningen. Voor alle de-minimissteun die vervat is in leningen en garanties geldt dat deze ‘transparant’ moet zijn. Dat wil zeggen dat het zogenoemde bruto-subsidie-equivalent van de lening vooraf kan worden vastgesteld zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd.

7. Ondernemingen in moeilijkheden

Decentrale overheden kunnen onder de reguliere, de landbouw en de visserij de-minimisverordeningen ook de-minimissteun verstrekken aan ondernemingen in financiële moeilijkheden, in tegenstelling tot steunverlening op basis van andere vrijstellingsverordeningen (bijvoorbeeld de AGVV). Alleen in de DAEB de-minimisverordening is bepaald dat ondernemingen in financiële moeilijkheden zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van deze Verordening. Dat schrijft artikel 1 van die Verordening voor. De Europese Commissie heeft wel een uitzondering gemaakt in de DAEB de-minimisverordening voor ondernemingen, die tijdens de coronacrisis in moeilijkheden zijn gekomen (tussen 1-1-2020 en 30-6-2021).

8. Melding, kennisgeving en rapportage

Maatregelen die onder een de-minimisverordening vallen, kwalificeren niet als staatssteun.  Meldingkennisgeving en rapportage van steunverlening aan de Europese Commissie is dan ook niet vereist. Zowel de Europese Commissie als Nederland houdt geen centraal register bij van de-minimissteun. Decentrale overheden wordt geadviseerd dit zelf wel bij te houden. Zo kunnen zij, indien nodig, gemakkelijk terugvinden en aantonen aan welke ondernemingen zij al de-minimissteun hebben verleend.

Samenloop Wet Markt & Overheid

Als uw organisatie op basis van de de-minimisverordening steun verleent, kan het zijn dat er wel gekeken moet worden naar de gedragsregels van de Wet Markt & Overheid. Dat is het geval als uw organisatie naast het verlenen van de steun zelf tegelijkertijd ook een economische activiteit uitvoert in de zin van de Wet Markt en Overheid. Een voorbeeld hiervan is het verstrekken van een lening. Voor zulke activiteiten gelden specifieke regels. Voor meer informatie over de Wet Markt & Overheid verwijzen wij u graag naar de pagina gedragsregels Wet Markt & Overheid.