Europees recht en beleid

Laatste update: 25 augustus 2022

Contact:


Decentrale overheden houden zich geregeld bezig met breedbandprojecten. Bij financiering of subsidiëring van deze projecten moet rekening gehouden worden met de staatssteunregels. Er bestaan verschillende mogelijkheden binnen de staatssteunkaders om steun aan breedbandprojecten mogelijk te maken. De uitrol van een breedbandnetwerk kan bijvoorbeeld aangewezen worden als Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Daarnaast kunnen decentrale overheden onder beperkte voorwaarden breedband bestempelen als openbare infrastructuur, waarmee er geen sprake is van staatssteun. Meer informatie over breedband en staatssteun  kunt u vinden op deze pagina.

Staatssteun en breedband

De Commissie is constant op zoek naar de balans tussen het stimuleren van breedbandontwikkeling en het beschermen van de vrije markt. Daarom bestaan er specifieke staatssteunkaders voor de aanleg van breedband. Wanneer er bij een breedbandproject mogelijk sprake is van staatssteun, moet de Europese Commissie in sommige gevallen overtuigd worden van het nut en de noodzaak (maatschappelijk en economisch) van de overheidsondersteuning. Deze gevallen worden dan ook gemeld bij de Europese Commissie (aanmeldplicht). Er zijn ook gevallen die niet hoeven te worden aangemeld. Dit wordt bijvoorbeeld geregeld in de zogenoemde Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV).

Marktconform handelen

De steun die de decentrale overheid aan een onderneming verstrekt, wordt niet als staatssteun aangemerkt, zolang de omstandigheden waaronder de steun wordt gegeven overeenkomen met normale marktvoorwaarden. Wanneer particuliere investeerders bijvoorbeeld aan een project ten behoeve van de uitrol van een glasvezelnetwerk deelnemen is het van belang dat zij het commerciële risico van de investering onder dezelfde voorwaarden als de publieke investeerders voor hun rekening nemen. Deze dragen dan dezelfde risico’s en rendementen als andere partijen in hetzelfde PPS-verband. Dit is een uitwerking van het Market Economy Investor (MEO) beginsel.

Openbare Infrastructuur

Decentrale overheden kunnen slechts onder enkele voorwaarden breedband bestempelen als openbare infrastructuur, waarmee er geen sprake zou zijn van staatssteun. Breedbandprojecten vallen onder infrastructuur, als aan alle volgende eisen wordt voldaan:

  • Er is sprake van een project dat een algemeen belang dient;
  • Het project is niet commercieel;
  • Ondernemingen genieten geen bepaalde voordelen.

De aanleg van infrastructuur die bedoeld is voor specifieke ondernemingen kan niet als algemeen belang gezien worden. Ook breedbandprojecten die worden aangelegd, waar al marktinitiatieven voor bestaan en die ‘gedupliceerd’ worden, kunnen de concurrentie vervalsen.

De Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV)

Decentrale overheden hoeven steun voor breedbandinfrastructuur niet te melden, mits er voldaan is aan de algemene voorwaarden uit hoofdstuk I en de bijzondere voorwaarden in deel 10 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.  Steunverlenende autoriteiten moeten in dat geval een kennisgevingsprocedure doorlopen, waarbij de Europese Commissie op de hoogte wordt gesteld van een steunmaatregel.

Steun voor vaste breedbandnetwerken

Artikel 52 AGVV bevat een vrijstelling voor investeringssteun voor breedbandinfrastructuur. Om steun onder de AGVV te kunnen plaatsen moet aan een aantal voorwaarden worden voldoen. Zo dient de steun bijvoorbeeld plaats te vinden in gebieden waar geen breedbandinfrastructuur voorhanden is van dezelfde categorie (basisbreedband- of NGA-netwerk) en waar dit soort infrastructuur in de komende drie jaar waarschijnlijk niet door de markt zal worden uitgerold. De in aanmerking komende kosten omvatten alle kosten voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van een vast breedbandnetwerk.

Het drempelbedrag voor steun voor vaste breedbandnetwerken bedraagt 100 miljoen euro per project indien er een subsidie toegekend wordt. Indien de steun toegekend wordt in de vorm van een financieel instrument, mag het bedrag niet hoger zijn dan 150 miljoen euro per project. Dit geldt ook voor steun in de vorm van een financieel instrument voor mobiele 4G- en 5G- netwerken, die hieronder behandeld wordt. Voor artikel 52 AGVV bestaan ook een checklist aan de hand waarvan kan worden nagegaan of aan de toepasselijke voorwaarden, zoals neergelegd in AGVV, is voldaan.

Steun voor mobiele 4g- en 5g- netwerken

In artikel 52 bis AGVV worden de mogelijkheden beschreven voor steun voor de uitrol van mobiele 4G- en 5G- netwerken. De in aanmerking komende kosten zijn alle kosten voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van een passief mobiel netwerk. Investeringen in 5G-netwerken zijn alleen mogelijk in gebieden waar geen breedbandnetwerken zijn uitgerold of als er breedbandnetwerken zijn die mobiele diensten tot 2G kunnen ondersteunen. Daarnaast mag er alleen steun verleend worden aan bijvoorbeeld, een ‘wit’ gebied. Dit is een gebied waar geen breedbandnetwerk ligt en waar, naar verwachting, ook geen breedband netwerk zal worden uitgerold in de komende drie jaar, na bekendmaking van de betreffende steunmaatregel. Daarnaast zijn er ook ‘grijze’ en ‘zwarte’ gebieden. Grijze gebieden zijn gebieden met één breedbandnetwerk, waar ook geen ander breedbandnetwerk uitgerold zal worden. Een zwart gebied is een gebied met minimaal twee breedbandnetwerken of, een gebied waarin minimaal twee netwerken uitgerold worden in de nabije toekomst.

Investeringen in 4G mogen ook alleen plaatsvinden in gebieden waar geen mobiele netwerken zijn uitgerold of als er wel een mobiel netwerken zijn, welke mobiele diensten tot 2G kunnen ondersteunen. Bovendien mag er geen steun verleend worden aan gebieden waar een 3G, 4G of 5G- netwerk bestaat. Er mag wel steun verleend worden aan een ‘wit’ gebied.

Digitale connectiviteit

Artikel 52 ter AGVV bevat de mogelijkheden voor steun voor projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van trans-Europese infrastructuur voor digitale connectiviteit. Deze steun kan op basis van Verordening 2021/1153 verleend worden, welke de Connecting Europe Facility (CEF) inricht. Dit kan in de vorm van een subsidie of indien er uit hoofde van de CEF-verordening een kwaliteitslabel ‘Excellentiekeur’ is toegekend. De subsidie mag niet meer dan 100 miljoen euro bedragen per project. Voor steun in de vorm van een financieel instrument mag het nominale bedrag van de totale financiering die per project toegekend wordt niet hoger zijn dan 150 miljoen euro.

Connectiviteitsvoucher

Op basis van artikel 52 quater AGVV kunnen decentrale overheden steun verlenen in de vorm van een connectiviteitsvoucherregeling voor consumenten om telewerken, elektronisch onderwijs of elektronische opleidingsdiensten te vergemakkelijken of voor kmo’s. De duur van een connectiviteitsvoucherregeling bedraagt maximaal 24 maanden. De steun mag niet meer bedragen dan 50 miljoen euro.

De Breedbandrichtsnoeren

De Europese Commissie heeft begin 2013 richtsnoeren voor staatssteun aan breedband gepubliceerd. Overheden kunnen onder de richtsnoeren de aanleg van breedbandnetwerken financieren. Ze moeten een brede en snelle uitrol van breedbandnetwerken mogelijk maken. De richtsnoeren bevatten ook een overzicht van beleidsbeginselen, waar overheidsmaatregelen ter ondersteuning van de aanleg van breedband aan moeten voldoen. Steunmaatregelen op grond van de breedbandrichtsnoeren moeten wel bij de Europese Commissie worden aangemeld. Een voorbeeld van een goedgekeurde steunmaatregel op grond van de richtsnoeren is SA.46613 betreffende steun in de regio Rivierenland voor de uitrol van een passief breedbandnetwerk. De Commissie werkt momenteel aan nieuwe richtsnoeren voor staatssteun aan breedband die waarschijnlijk dit jaar gepubliceerd worden.

De de-minimisverordening

Decentrale overheden kunnen onder de de-minimisverordening ondernemingen tot 200.000 euro aan steun verlenen zonder dat er sprake is van staatssteun. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steunmaatregelen die onder een de-minimisverordening vallen, hebben een beperkt effect op het handelsverkeer tussen lidstaten. Zulke maatregelen voldoen hierdoor niet aan alle cumulatieve criteria van het staatssteunverbod (art. 107 lid 1 VWEU) en leveren dus geen staatssteun op.

Diensten van algemeen economisch belang (DAEB)

De uitrol van een breedbandnetwerk kan aangemerkt worden als Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Decentrale overheden die deze projecten steunen moeten rekening houden met de voorwaarden voor een DAEB uit de Breedbandrichtsnoeren (punt 2.3). Goedkeuring onder de breedbandrichtsnoeren heeft grotere kans als de DAEB-compensatie gericht is op een Europese doelstelling. Bijvoorbeeld op het gebied van sociale cohesie. Meer hierover leest u in de Handreiking DAEB en staatssteun.

Marktfalen

Het kenmerk van een DAEB is dat het een economische activiteit van publiek belang betreft die alleen dankzij het optreden van de overheid tot stand komt. Omdat de activiteit niet door de markt wordt opgepakt of in ieder geval niet naar maatschappelijk aanvaardbare voorwaarden op de markt wordt verricht, is er sprake van marktfalen. Een decentrale overheid moet het marktfalen aan de hand van een objectieve marktanalyse vaststellen en daarmee aantonen dat het overheidsoptreden noodzakelijk en proportioneel is. Wanneer een decentrale overheid de behoefte naar een DAEB analyseert, moet er rekening gehouden met bestaande, vergelijkbare netwerken, zoals BBN of NGA. Als wordt aangetoond dat particuliere investeerders niet in staat zijn binnen drie jaar een passende breedbanddekking aan te bieden, kan een DAEB worden overwogen. De markt kan niet voorzien in deze publieke dienst.

Voorwaarden DAEB

Belangrijke voorwaarden zijn:

  • Er wordt een passieve, neutrale en vrij toegankelijke infrastructuur tot stand wordt gebracht;
  • Het netwerk moet de aanvragers van toegang tot het netwerk alle mogelijke vormen van toegang aanbieden en werkelijke mededinging op retail niveau mogelijk maken;
  • Het netwerk moet universele en gerelateerde wholesale toegang bieden, maar niet voor retailers;
  • Als het universele netwerk wordt uitgerold in winstgevende en niet-winstgevende gebieden, dan moet de compensatie van de overheid beperkt blijven tot de niet-winstgevende gebieden;
  • Wanneer de eigenaar van het netwerk waarop de DAEB van toepassing is, geen overheid is, moeten er controle- en terugbetalingmechanisme in het leven geroepen worden.

De compensatie voor de uitrol van breedbandnetwerken moet voldoen aan de Altmark-criteria. In plaats van te voldoen aan het laatste criterium van het Altmark-arrest, kan de decentrale overheid ook gebruik maken van het DAEB-pakket uit 2012 van de Europese Commissie. Er is dan sprake van staatssteun, die op basis van het DAEB-pakket is vrijgesteld. Het DAEB-pakket bestaat uit vier regelgevingsinstrumenten, te weten: de DAEB-mededeling, de DAEB de-minimisverordening, het DAEB-vrijstellingsbesluit en de DAEB-kaderregeling. Op basis van het Altmark-arrest en het DAEB-pakket kan het financieren van een DAEB dus ‘staatssteunproof’ worden gemaakt.