Europees recht en beleid

Laatste update: 3 september 2026

Contact:


Deze Euroscan gaat na hoeveel ruimte het Europees recht biedt bij de huisvesting van statushouders. Centraal staat de vraag of en onder welke voorwaarden statushouders voorrang kunnen krijgen bij de toewijzing van sociale huurwoningen.

EuroScan Basiskennis over de EU

Na een korte schets van het Europeesrechtelijke kader wordt ingegaan op de Kwalificatieverordening, de herziene Opvangrichtlijn en het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. (Hoofdstuk 1) Vervolgens wordt vertaald wat dit betekent voor de Nederlandse praktijk en voor de beleidsruimte van gemeenten en woningcorporaties. (Hoofdstuk 2) Daarbij staat één vraag centraal: hoe ver kunnen gemeenten gaan met lokaal voorrangsbeleid, en welke eisen stelt het EU-recht aan een objectieve en proportionele afweging?

Hoofdstuk 1. Statushouders en sociale huisvesting: Europeesrechtelijke kaders

Primair en secundair Unierecht

Om de centrale vraag te beantwoorden, kijken we naar zowel het primaire als het secundaire EU-recht. Het primaire recht bestaat uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Deze leggen de belangrijkste grondrechten, beginselen en bevoegdheden van de EU vast. Het secundaire EU-recht bestaat onder meer uit verordeningen, richtlijnen en besluiten. Verordeningen gelden rechtstreeks in alle lidstaten, terwijl richtlijnen lidstaten verplichten een bepaald resultaat te bereiken, maar ruimte laten voor de manier waarop zij dat doen. Beide vormen van EU-recht zijn relevant voor de rechtspositie van statushouders en hun toegang tot huisvesting.[1] Dit onderscheid is van belang, omdat primaire wetgeving voorgaat op secundaire wetgeving.

In de praktijk

Wanneer een richtlijn (secundaire wetgeving) in strijd is met bijvoorbeeld het Handvest (primaire wetgeving), dan kan het Hof van Justitie de richtlijn vernietigen of ongeldig verklaren.[2] Internationale verdragen die door lidstaten of door de EU als geheel zijn gesloten, zoals het Vluchtelingenverdrag, maken geen deel uit van het primaire EU-recht, maar kunnen wel een rol spelen bij de interpretatie van secundaire wetgeving. Volgens het Hof van Justitie heeft het Unierecht voorrang op nationale wetgeving. Dit betekent dat ook decentrale overheden het EU-recht moeten naleven. Is nationale wetgeving in strijd met het EU-recht, dan moet het EU-recht worden toegepast en moet de nationale wetgeving zoveel mogelijk EU-conform worden uitgelegd.[3] In de regel moeten nationale overheden de bepalingen van het Europees recht omzetten in nationale wetgeving. Wanneer dit niet (correct) en tijdig gebeurt, zijn decentrale overheden zelf verantwoordelijk voor de correcte naleving van deze bepalingen. Dit komt voort uit het Verdragsbeginsel van loyaliteit (unietrouw). In sommige situaties vindt geen omzetting plaats: in dat geval werkt het Unierecht rechtstreeks door in het nationale recht en moeten decentrale overheden (zonder tussenkomst van de nationale wetgever) de bepalingen uit Europese verordeningen toepassen. In dat geval is er sprake van ‘rechtstreekse werking’ van het Unierecht.

Statushouders in het Unierecht

Op grond van artikel 78 VWEU behoort het door de Europese Unie ontwikkelde asielsysteem – het Gemeenschappelijk Europees Asielsysteem (hierna: GEAS), het pakket van secundaire EU-wetgeving waarbij asiel, internationale bescherming en opvangvoorzieningen zijn geregeld – in overeenstemming te zijn met het Vluchtelingenverdrag en ‘andere relevante verdragen’ waaraan de EU-lidstaten verbonden zijn. Dit houdt in dat deze secundaire wetgeving geïnterpreteerd moet worden in lijn met deze verdragen.[4] Onder het Migratiepact[5] zijn de verordeningen en richtlijnen waaruit het huidige GEAS bestaat herzien en vervangen door nieuwe wetgeving. Deze nieuwe wetgeving is op 16 juni 2026 in werking getreden.

Het GEAS bevat wetgeving met betrekking tot de rechten die asielzoekers en statushouders genieten in lidstaten van de EU. Asielzoekers zijn burgers of staatlozen van buiten de EU die een verzoek om internationale bescherming hebben gedaan waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.[6] Statushouders zijn personen van wie het verzoek om internationale bescherming is toegewezen en op grond hiervan een verblijfsvergunning is verstrekt waarmee bevestigd wordt dat zij legaal binnen de EU verblijven. Afhankelijk van de redenen waarom aan iemand internationale bescherming wordt verstrekt (de asielgronden) ontvangen deze personen een vluchtelingenstatus[7] of een subsidiaire beschermingsstatus[8].

Tweestatusstelsel

Onder het nieuwe tweestatusstelsel in de asielwetgeving krijgen statushouders met een subsidiaire beschermingsstatus minder rechten dan statushouders met een vluchtelingenstatus. Dit verschil is vooral zichtbaar bij gezinshereniging. Volgens de nieuwe regels kunnen mensen met een subsidiaire beschermingsstatus pas na twee jaar een aanvraag voor gezinshereniging doen. Daarnaast moeten zij voldoende inkomen hebben en over passende huisvesting beschikken. Toegang tot sociale huurwoningen kan daardoor een belangrijke voorwaarde zijn om gezinsleden, bijvoorbeeld uit een oorlogsgebied, naar Nederland te laten komen.

Een vluchtelingenstatus wordt verleend wanneer iemand een gegronde vrees heeft voor persoonlijke vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld vanwege afkomst, religie of politieke overtuiging. Een subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend aan mensen die geen vluchtelingenstatus krijgen, maar bij terugkeer wel een ernstig risico lopen op schade, zoals marteling, onmenselijke behandeling of overlijden.

Opvangrichtlijn

De Opvangrichtlijn[9] omvat de materiele rechten die onder secundair Europees recht aan asielzoekers worden toegekend, waaronder een recht op toegang tot huisvesting. Asielzoekers kunnen, afhankelijk van de plek waar hun asielverzoek wordt ingediend, worden gehuisvest in opvanglocaties aan de grens of in ’transitzones’, in opvangcentra of in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van verzoekers aangepaste ruimten.[10] Bij de voorziening in opvangfaciliteiten moet rekening worden gehouden met de specifieke situatie van kwetsbare personen met bijzondere opvangbehoeften, waaronder bijvoorbeeld minderjarigen, personen met een handicap, ouderen en zwangere vrouwen.[11] Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), een centraal overheidsorgaan, is belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.[12] Ook personen die tijdelijke bescherming genieten onder de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn[13] – op dit moment alleen Oekraïners – hebben recht op huisvesting. De verantwoordelijkheid voor de opvang van personen met een status van tijdelijke bescherming ligt bij de gemeenten.[14]

De Kwalificatieverordening

De Kwalificatieverordening beschrijft de materiele rechten die onder secundair Europees recht aan statushouders worden toegekend, waaronder toegang tot werk, onderwijs, sociale zekerheid en gezondheidszorg. De Kwalificatieverordening vervangt de Kwalificatierichtlijn.[15] Het Hof van Justitie van de EU bepaalde dat statushouders en subsidiair beschermden onder de Kwalificatierichtlijn dezelfde rechten toekomen, tenzij een andere behandeling noodzakelijk en objectief gerechtvaardigd is.[16]

De Verordening heeft rechtstreekse werking en hoeft niet te worden omgezet naar nationaal recht. Artikel 34, eerste lid van de Kwalificatieverordening omvat een recht op toegang tot (adequate) huisvesting voor statushouders:

“Personen die internationale bescherming genieten, hebben toegang tot huisvesting onder voorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op andere onderdanen van derde landen die legaal verblijven op het grondgebied van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend en zich over het algemeen in dezelfde omstandigheden bevinden.”[17]

De Kwalificatieverordening definieert niet wat onder “huisvesting” moet worden verstaan. Artikel 34, tweede lid van de Kwalificatieverordening schrijft voor dat “nationale praktijken van spreiding van personen die internationale bescherming genieten” ervoor moeten zorgen dat deze personen gelijke kansen hebben wat toegang tot huisvesting betreft “tenzij het verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is”. In Nederland dragen gemeenten zorg voor de voorziening in de huisvesting van statushouders in de gemeente in lijn met de voor de gemeente geldende taakstelling.[18]

Gelijke behandeling en non-discriminatie

Het primaire EU-recht bevat verschillende bepalingen die een expliciet verbod op discriminatie omvatten, waaronder het verbod op discriminatie onder artikel 18 VWEU en artikel 21 lid 2 van het Handvest. Deze bepalingen verbieden echter geen discriminatie naar nationaliteit van niet-EU-burgers.[19] Artikel 20 van het Handvest omvat het algemene rechtsbeginsel van gelijke behandeling, waarvan het Hof van Justitie heeft vastgesteld dat dit van toepassing is op niet-EU-burgers voor zover hun situatie onder de werking van EU-recht valt.[20]

Uit VWEU volgt daarbij dat het Europese immigratiebeleid een “billijke behandeling” van legaal verblijvende derdelanders in de EU moet garanderen.[21] Ook het EVRM bevat een specifiek discriminatieverbod: artikel 14 EVRM verbiedt discriminatie met betrekking tot de uitoefening van de in het verdrag genoemde rechten voor iedereen die zich binnen het gebied waar een lidstaat gezag uitoefent bevindt.[22] Artikel 1 van EVRM-Protocol 12 stelt dat het genot van ”elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook”. De Richtlijn rassengelijkheid[23] bevat daarbij het verbod op discriminatie naar ras of etniciteit met betrekking tot de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting.[24]

Statushouders hebben op grond van deze bepalingen recht op gelijke behandeling en bescherming tegen discriminatie. Van discriminatie kan sprake zijn als vergelijkbare personen verschillend worden behandeld, of als personen in verschillende situaties gelijk worden behandeld. Een verschil in behandeling is alleen toegestaan als daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Daarvoor moet de maatregel een legitiem doel dienen en geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn.[25]

In deze paragraaf wordt uitsluitend het relevante juridisch kader geschetst. De beoordeling of sprake is van gerechtvaardigd onderscheid vindt later plaats, aan de hand van de relevante overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College voor de Rechten van de Mens. Het College heeft daarbij geoordeeld dat het uitsluiten van voorrang voor statushouders mogelijk leidt tot indirect ongerechtvaardigd onderscheid op grond van ras en nationaliteit, omdat dit middel volgens het College niet geschikt, noodzakelijk en proportioneel is om een eerlijke woonruimteverdeling te bereiken. Dit onderstreept dat zowel het verlenen als het onthouden van voorrang bij de toegang tot huisvesting zorgvuldig moet worden getoetst aan het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Gemeenten dienen daarbij te voorkomen dat zij groepen ongerechtvaardigd bevoordelen of juist indirect benadelen.

Toegang tot huisvesting voor statushouders

Het recht op toegang tot huisvesting kent verschillende grondslagen binnen het Europees recht. Artikel 34, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkent het recht op sociale bijstand en huisvestingsbijstand, met als doel sociale uitsluiting en armoede te bestrijden en mensen zonder voldoende middelen een menswaardig bestaan te bieden. Dit betekent echter niet dat iedereen op grond van deze bepaling zelfstandig en onvoorwaardelijk recht heeft op een woning. De concrete invulling van dit recht volgt vooral uit het Unierecht en de nationale regelgeving. Voor personen die internationale bescherming aanvragen of hebben verkregen, zijn met name de Kwalificatieverordening en de herziene Opvangrichtlijn van belang. Deze regels maken deel uit van het Europese Migratie- en Asielpact en bepalen mede welke verplichtingen en beleidsruimte lidstaten en decentrale overheden hebben bij het organiseren van huisvesting.

De Kwalificatieverordening wijzigt het recht op toegang tot huisvesting ten opzichte van de voormalige Kwalificatierichtlijn. Waar de richtlijn uitging van toegang tot huisvesting onder vergelijkbare voorwaarden als andere derdelanders in vergelijkbare omstandigheden, bepaalt de verordening dat statushouders toegang moeten hebben onder dezelfde voorwaarden als andere legaal verblijvende derdelanders. Daarnaast mogen lidstaten de gelijke toegang tot huisvesting beperken wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.[26]

Ruimte voor nationaal huisvestingsbeleid

De Kwalificatieverordening geeft statushouders recht op toegang tot adequate huisvesting, maar schrijft niet voor hoe lidstaten dit moeten organiseren. Lidstaten behouden daardoor beleidsruimte om hun huisvestingsbeleid zelf vorm te geven. De verordening bevat geen verplichting om statushouders voorrang te geven bij de toewijzing van sociale huurwoningen, maar verbiedt evenmin dat zij op gelijke wijze worden behandeld als andere woningzoekenden. Voor asielzoekers geldt de herziene Opvangrichtlijn, die onderdeel uitmaakt van het Europese Migratie- en Asielpact. Deze richtlijn verplicht lidstaten om vanaf het moment dat een asielverzoek is ingediend materiële opvang te bieden, waaronder passende huisvesting. Zodra internationale bescherming wordt verleend, is de Opvangrichtlijn niet langer van toepassing en geldt de Kwalificatieverordening.

Hoofdstuk 2. Statushouders en sociale huisvesting: Lokale beleidsruimte

Juridische spanningsvelden: biedt het EU-recht ruimte voor voorrangsbeleid?

Maar wat betekenen deze Europese regels nu concreet voor gemeenten? Mogen zij bij de verdeling van sociale huurwoningen voorrang geven aan statushouders, of stelt het EU-recht hier grenzen aan?

Het antwoord is niet eenvoudig. Het EU-recht verplicht gemeenten niet om statushouders altijd voorrang te geven, maar sluit zo’n regeling ook niet uit. Veel hangt daarom af van hoe het beleid wordt vormgegeven en gemotiveerd. In dit deel bekijken we waar die ruimte ligt en waar de juridische grenzen beginnen.

Wanneer is onderscheid tussen woningzoekenden toegestaan?

Het uitgangspunt van het Unierecht is het beginsel van gelijke behandeling. Dat betekent echter niet dat iedere woningzoekende altijd op exact dezelfde manier moet worden behandeld. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mogen vergelijkbare gevallen niet verschillend worden behandeld en mogen verschillende gevallen juist niet gelijk worden behandeld, tenzij daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.[27]

Voor statushouders is juist dat laatste relevant. Hun positie verschilt op meerdere punten van die van andere woningzoekenden. Zij beschikken doorgaans niet over een woning, hebben vaak beperkte financiële middelen en moeten na het verkrijgen van internationale bescherming zo snel mogelijk integreren in de ontvangende lidstaat. Deze omstandigheden kunnen een objectieve rechtvaardiging vormen om hen anders te behandelen dan andere woningzoekenden.[28]

Daarmee is een voorrangsregeling niet automatisch verplicht, maar ook niet zonder meer verboden. Gemeenten zullen steeds moeten beoordelen of een verschil in behandeling een legitiem doel dient en geschikt, noodzakelijk en proportioneel is.[29] Gemeenten zijn wel wettelijk verplicht om een door het Rijk vastgestelde taakstelling voor de huisvesting van statushouders te realiseren. Deze verplichting vloeit voort uit de Huisvestingswet en houdt in dat gemeenten ieder half jaar een vastgesteld aantal vergunninghouders passende woonruimte moeten bieden.

Gelijke behandeling betekent niet altijd gelijke uitkomst

In het maatschappelijke debat wordt vaak uitgegaan van het uitgangspunt dat gelijke behandeling betekent dat alle woningzoekenden exact dezelfde positie moeten hebben binnen een woningverdeelsysteem. Vanuit Europeesrechtelijk perspectief ligt dat genuanceerder. Het gelijkheidsbeginsel verlangt juist dat rekening wordt gehouden met relevante verschillen tussen groepen. Wanneer personen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden, kan een verschillende behandeling noodzakelijk zijn om uiteindelijk gelijke kansen te realiseren.[30]

Deze benadering komt ook terug in het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna de Afdeling) over het wetsvoorstel tot afschaffing van de mogelijkheid voor gemeenten om statushouders als urgentiecategorie aan te wijzen. Volgens de Afdeling bevinden statushouders zich niet zonder meer in een vergelijkbare positie als andere woningzoekenden. Een algemeen verbod op voorrang kan daarom leiden tot strijd met het grondrecht op gelijke behandeling wanneer geen alternatieve maatregelen worden getroffen om hun achterstandspositie te compenseren.[31]

Het grondrechtenkader

Ook verschillende grondrechten spelen een rol bij de beoordeling van voorrangsbeleid. Het recht op adequate huisvesting is vastgelegd in verschillende internationale verdragen, waaronder het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR), het Europees Sociaal Handvest en het Vluchtelingenverdrag.[32] Daarnaast erkent artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op sociale bijstand en ondersteuning op het gebied van huisvesting voor personen die niet over voldoende middelen beschikken. Hoewel dit artikel geen zelfstandig afdwingbaar recht op een woning creëert, vormt het wel een belangrijk uitgangspunt voor de uitleg van Europese regelgeving over internationale bescherming.[33]

Daarbij geldt dat het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) op grond van artikel 78 VWEU in overeenstemming moet worden uitgelegd met het Vluchtelingenverdrag en andere relevante internationale verdragen. Hierdoor moeten ook de bepalingen van de eerder genoemde Kwalificatieverordening zoveel mogelijk in het licht van deze grondrechten worden geïnterpreteerd.[34]

Hoeveel beleidsruimte hebben lidstaten?

De Kwalificatieverordening verplicht lidstaten om mensen met internationale bescherming toegang tot huisvesting te geven. Daarbij moeten zij in principe dezelfde voorwaarden krijgen als andere derdelanders die legaal in het land verblijven en zich in een vergelijkbare situatie bevinden. De verordening [35] schrijft echter niet voor hoe lidstaten hun nationale huisvestingssysteem moeten inrichten. Hierdoor beschikken lidstaten en decentrale overheden over een zekere beleidsruimte. Zij mogen zelf bepalen hoe sociale huurwoningen worden verdeeld en welke urgentiecategorieën worden gehanteerd, zolang het uiteindelijke beleid verenigbaar blijft met het Unierecht.

Die beleidsruimte kent wel grenzen. Gemeentelijk beleid mag niet leiden tot discriminatie of ertoe leiden dat statushouders feitelijk geen reële toegang meer hebben tot adequate huisvesting. Wanneer een gemeente ervoor kiest geen voorrang meer te verlenen, zal zij daarom moeten kunnen motiveren hoe statushouders desondanks daadwerkelijk toegang houden tot passende huisvesting.[36]

Consequenties voor gemeenten en woningcorporatie

Voor gemeenten en woningcorporaties betekent het Europeesrechtelijke kader vooral dat er ruimte bestaat voor lokaal maatwerk, maar niet voor willekeur. Sinds 2017 zijn gemeenten niet langer wettelijk verplicht statushouders als urgentiecategorie aan te wijzen. Zij kunnen hierover zelf regels opnemen in hun huisvestingsverordening.[37] Het EU-recht verandert dit uitgangspunt niet. Wel verlangt het dat gemeenten bij het vaststellen van hun beleid zorgvuldig beoordelen of statushouders in de praktijk daadwerkelijk toegang behouden tot adequate huisvesting.

Ook woningcorporaties hebben een rol

Woningcorporaties voeren het gemeentelijke woonruimtebeleid uit en vervullen daarbij een dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Hoewel de Europese DAEB-regels vooral betrekking hebben op staatssteun en de organisatie van sociale huisvesting, moeten corporaties ook rekening houden met de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder gelijke behandeling en non-discriminatie.[38] Dat betekent dat woningtoewijzing niet uitsluitend gebaseerd mag zijn op nationaliteit of herkomst. Tegelijkertijd is het wel mogelijk om objectief gerechtvaardigde urgentiecriteria toe te passen wanneer deze voortvloeien uit gemeentelijk beleid en bijdragen aan een evenwichtige verdeling van schaarse woonruimte.

Juridische aandachtspunten

Voor gemeenten zijn met name drie aandachtspunten relevant.

  • Ten eerste moet steeds duidelijk worden gemotiveerd waarom bepaalde groepen wel of geen voorrang krijgen. Een goede motivering is noodzakelijk wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen woningzoekenden.
  • Ten tweede moet worden beoordeeld of het beleid in de praktijk daadwerkelijk leidt tot gelijke toegang tot huisvesting. Formele gelijkheid is daarbij niet altijd voldoende; ook de feitelijke gevolgen van het beleid spelen een rol.[39]
  • Ten derde verdient de verdere behandeling van het wetsvoorstel tot afschaffing van de voorrang voor statushouders aandacht. Zowel de Afdeling advisering van de Raad van State als het College voor de Rechten van de Mens hebben erop gewezen dat een algemeen verbod op voorrang risico’s kan opleveren wanneer statushouders daardoor langdurig geen toegang hebben tot adequate huisvesting of gezinshereniging feitelijk onmogelijk wordt.[40]

Conclusie

Het Europees recht verplicht gemeenten niet om statushouders altijd voorrang te geven bij de toewijzing van sociale huurwoningen. Het Unierecht laat hiervoor beleidsruimte. Die ruimte is echter niet onbeperkt. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat hun huisvestingsbeleid verenigbaar blijft met het beginsel van gelijke behandeling en dat statushouders in de praktijk daadwerkelijk toegang houden tot adequate huisvesting. Juist omdat statushouders zich vaak niet in een vergelijkbare positie bevinden als andere woningzoekenden, kan een verschillende behandeling onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. De kernvraag is daarom niet óf onderscheid wordt gemaakt, maar of dat onderscheid objectief, proportioneel en juridisch voldoende kan worden onderbouwd.

Deze Euroscan is tot stand gekomen door de hoofdauteur, met waardevolle inbreng en het meedenken van oud-KED-adviseur Sarah Kuipers, huidig KED-adviseur Daniel van Dijk en Nicole Hoos, jurist en lid van de praktijkraad van KED.


[1] Zie Bronnen van Europees recht en beleid – Europa decentraal en Soorten EU-wetgeving – Europese Commissie

[2] Bronnen van Europees recht en beleid – Europa decentraal

[3] Nederland in eerste inbreukenpakket van het jaar: gevolgen voor decentrale overheden – Europa decentraal, Nederland in eerste inbreukenpakket van het jaar: gevolgen voor decentrale overheden – Europa decentraal, Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Europa decentraal en De KED selectie aan EU rechtsbronnen – Europa decentraal

[4] European Asylum Support Office, ‘An Introduction to the Common European Asylum System for Courts and Tribunals’, Augustus 2016, p. 26-27.

[5] Nieuw Europees asielbeleid (Migratiepact) | Asielbeleid | Rijksoverheid.nl

[6] Verordening 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (Kwalificatieverordening), artikel 3 sub 8.

[7] Procedureverordening, artikel 3 sub 3.

[8] Idem, artikel 3 sub 4.

[9] Richtlijn 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking).

[10] Opvangrichtlijn, artikel 20 lid 1.

[11] Opvangrichtlijn, artikel 24.

[12] Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, artikel 3 lid 1 sub a.

[13] Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.

[14] Regeling opvang ontheemden Oekraïne, artikel 2 lid 1.

[15] Richtlijn 2011/95 EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), hierna: Kwalificatierichtlijn.

[16] HvJEU, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, 1 maart 2016.

[17] Kwalificatieverordening, artikel 34, lid 1.

[18] Huisvestingswet 2014, artikel 28.

[19] HvJEU, samengevoegde zaken C‑22/08 en C‑23/08, Vatsouras en Koupatantze EU:C:2009:344, paragraaf 52. Zie ook: Zaken T-452/15 Andrei Petrov EU:T:2017:822, paragraaf 38–39 en T-618/15 Udo Voigt EU:T:2017:821, paragraaf 79–80.

[20] HvJEU, Opinie 1/17 Accord ECG UE-Canada ECLI:EU:C:2019:341, paragraaf 168–175, 172.

[21] Zie Artikel 79, eerste lid VWEU.

[22] Artikel 14 EVRM is een ‘accessoire’ bepaling is. Dit betekent dat artikel 14 alleen kan worden ingeroepen in samenhang met een ander grondrecht dat binnen het ruimere bereik van het EVRM valt.

[23] Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming.

[24] Richtlijn rassengelijkheid, artikel 3 lid 1 sub h.

[25] EHRM, D.H. et al v. de Tsjechische Republiek, nummer 57325/00, 13 November 2007, paragraaf 175. Zie ook: EHRM, Guide on Article 14 of the Convention (prohibition of discrimination) and on Article 1 of Protocol No. 12

[26] Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen en voor de inhoud van de verleende bescherming (Kwalificatieverordening), met name artikel 31.

[27] X tegen Belgische Staat (C 930/19), ECLI:EU:C:2021:657, punt 57; Opinie 1/17, ECLI:EU:C:2019:341, punten 168-175; D.H. e.a. tegen Tsjechië, nr. 57325/00, 13 november 2007, punt 175.

[28] Artikel 34 Kwalificatieverordening; Alo en Osso (C 443/14 en C 444/14), ECLI:EU:C:2016:127.

[29] Artikel 20 Handvest; HvJ EU, X tegen Belgische Staat (C-930/19), punt 57.

[30] Artikel 20 Handvest; EHRM, D.H. e.a. tegen Tsjechië, punt 175.

[31] Afdeling advisering van de Raad van State, Advies inzake het wetsvoorstel tot het schrappen van voorrang voor statushouders in de sociale huur.

[32] Artikel 11 IVESCR; artikel 31 Europees Sociaal Handvest

[33] Artikel 34 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

[34] Artikel 78 VWEU; European Asylum Support Office, An Introduction to the Common European Asylum System for Courts and Tribunals (2016), p. 26-27.

[35] Artikel 34 Verordening (EU) 2024/1347 (Kwalificatieverordening).

[36] Artikel 34 Handvest; artikel 34 Kwalificatieverordening.

[37] Artikel 28 Huisvestingswet 2014.

[38] DAEB-besluit 2012/21/EU; artikel 106, tweede lid, VWEU.

[39] EHRM, D.H. e.a. tegen Tsjechië

[40] Advies Afdeling advisering Raad van State van 24 juni 2026