Nieuws

Publicatie: 30 maart 2026

Door:


Op 11 maart 2026 hebben de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement de Verordening 2026/667 inzake het vaststellen van een tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 ondertekend. De aangenomen Verordening wijzigt de Europese Klimaatwet (Verordening 2021/1119) door een tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040 te introduceren. De Verordening stelt ook de inwerkingtreding van de emissiehandel voor gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren (ETS2) uit van 2027 naar 2028.

In dit nieuwsbericht geven we uitleg over de noodzaak voor aanvullende maatregelen, de twee wetgevingswijzigingen en de decentrale relevantie.

De noodzaak voor aanvullende maatregelen

De Overeenkomst van Parijs (2015) is een belangrijk kader voor de Europese aanpak van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat de wereldwijde temperatuur niet verder mag stijgen dan 2°C. Het streven is om de stijging onder de 1,5°C te houden. Om verdere klimaatverandering te voorkomen is de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen een belangrijke pijler binnen het Europees klimaatbeleid, waaronder de Europese Klimaatwet en de ETS-richtlijn (2003/87).

Tijdens de 28e VN-klimaatconferentie (COP28) (2023) werd de eerste mondiale inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs opgemaakt. Overweging 1 van Verordening 2026/667 geeft aan dat uit deze inventarisatie bleek dat landen hun klimaatbeleid steeds doeltreffender voeren, maar dat er nog steeds dringend aanvullende maatregelen nodig zijn om de Parijs-doelstellingen te bereiken.

Tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040

De Europese Klimaatwet (Verordening 2021/1119) stelt vast dat de hele EU uiterlijk 2050 klimaatneutraal moet zijn. Dit betekent dat de netto-uitstoot van broeikasgassen in 2050 gelijk moet zijn aan nul. Om deze klimaatdoelstelling te behalen moet in 2030 in de hele EU de netto-uitstoot van broeikasgassen ten minste met 55% verminderd zijn ten opzichte van 1990. Deze doelstellingen zijn opgenomen in de Nederlandse Klimaatwet.

De Verordening 2026/667 voegt hier een nieuwe tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040 aan toe, zoals eerder voorgesteld door de Commissie in haar mededeling “Onze toekomst veiligstellen”. Volgens het nieuwe artikel 4 lid 3 van de Europese Klimaatwet moet de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk 2040 zijn verminderd met 90% ten opzichte van 1990. Verder mogen de lidstaten internationale CO2-rechten met hoge integriteit gebruiken voor 5% van de te behalen 90% van de broeikasgasreductie ten opzichte van 1990, aldus artikel 4 lid 5 onder a.

De netto-uitstoot van broeikasgassen moet uiterlijk 2040 zijn verminderd met 90% ten opzichte van 1990.

Daarnaast moet de Commissie volgens artikel 4 lid 4 bestaande EU-wetgeving evalueren om dat streefcijfer in 2040 en klimaatneutraliteit in 2050 mogelijk te maken. De Commissie kan op basis van zulke evaluaties en gedetailleerde effectbeoordelingen nieuwe wetgevingsvoorstellen opstellen om deze klimaatdoelstellingen daadwerkelijk te verwezenlijken. De Commissie moet volgens artikel 4 lid 5 in haar wetsvoorstellen voor de periode na 2030 rekening houden met een reeks belangrijke elementen, waaronder:

  • Het concurrentievermogen van de EU;
  • De rol van permanente koolstofverwijderingen onder de ETS-richtlijn;
  • Meer flexibiliteit binnen en tussen sectoren en instrumenten om de doelstellingen eenvoudiger en kosteneffectiever te kunnen realiseren;
  • De vereenvoudiging van regels;
  • De beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie;
  • Toegang tot publieke financiering.

Tot slot moet de Commissie volgens artikel 4 lid 8 iedere twee jaar de uitvoering van de tussentijdse doelstellingen en CO2-emissiereductietrajecten onder de Europese Klimaatwet beoordelen en hierover verslag doen. Deze beoordelingen en rapporten kunnen weer leiden tot nieuwe wetgevingsvoorstellen.

Uitstel van inwerkingstelling ETS2 van 2027 naar 2028

Het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS) is het belangrijkste instrument op het gebied van CO2-reductie en is vastgelegd in de veelvuldig herziene ETS-richtlijn. Op basis van het marktgedreven “cap-and-trade”-beginsel stelt het ETS een plafond in voor de totale hoeveelheid broeikasgassen die bedrijven mogen uitstoten mits zij een vergunning hebben. Bedrijven krijgen of kopen emissierechten en kunnen deze onderling verhandelen. Het aantal emissierechten is beperkt en daalt jaarlijks met een vastgestelde factor, zodat de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 kunnen worden behaald.

Het ETS maakt onderscheid tussen het ETS1 en ETS2 die ieder van toepassing zijn op verschillende sectoren met hun eigen afzonderlijke emissierechtenplafonds en lineaire verminderingsfactoren die per jaar verschillen. Het ETS1 dekt de luchtvaart en zeevaart (Hoofdstuk II) en vaste installaties, zoals brandstofverbrandingsinstallaties en de productie van industriële materialen (Hoofdstuk III). Het ETS2 introduceert daarnaast een nieuw aanvullend emissiehandelssysteem voor CO2-emissies in de gebouwensector, wegvervoerssector en aanvullende sectoren (Hoofdstuk IVbis).

Het ETS2 zou in eerste instantie volledig operationeel zijn vanaf 2027, maar met het oog op een soepele overgang is de inwerkingtreding van het ETS2 uitgesteld met één jaar naar 2028.

Het ETS2 zou in eerste instantie volledig operationeel zijn vanaf 2027, maar met het oog op een soepele overgang stelt de Verordening 2026/667 de inwerkingtreding van het ETS2 uit met één jaar naar 2028.

Decentrale relevantie

In Nederland spelen decentrale overheden een belangrijke rol in de uitvoering van het Europese en nationale klimaat- en CO2-reductiebeleid. Zij hebben namelijk brede bevoegdheden in de sectoren industrie, landbouw, mobiliteit, elektriciteit en woningbouw, waaronder ruimtelijke inrichting, verduurzaming en vergunningverlening. Zo kan een decentrale overheid bijdragen aan de (tussentijdse) klimaatdoelstellingen en het beperken van CO2-emissies door het vastleggen van nul-emissies voor doelgroepenvervoer of het verlenen van omgevingsvergunningen voor wind- en zonneparken om de energietransitie te bevorderen.

Net als de Europese Klimaatwet legt de Nederlandse Klimaatwet de doelstelling vast om in 2030 de netto-uitstoot van broeikasgassen met tenminste 55% te hebben verminderd ten opzichte van 1990 en in 2050 klimaatneutraal te zijn. De nieuwe tussendoelstelling van 90% broeikasgasreductie ten opzichte van 1990 die in de Europese Klimaatwet is vastgelegd, is nog niet opgenomen in de Nederlandse Klimaatwet. Daarentegen noemt het Klimaatplan 2025-2035 wel de realisatie van ongeveer 90% broeikasgasreductie in 2040 als een logisch tussendoel richting klimaatneutraliteit in 2050.

Het ETS is opgenomen in de Wet milieubeheer. De uitvoering van het ETS is voornamelijk de taak van de Rijksoverheid. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de nationale toezichthouder en uitvoerder van de Nederlandse emissiehandel en vergunningverlener. Daarom zal het uitstel van de inwerkingtreding van het ETS2 geen directe impact hebben op de verplichtingen van decentrale overheden.

Kortom, het is nog niet duidelijk wat de precieze gevolgen van de herziene Europese Klimaatwet zullen zijn voor de verplichtingen van decentrale overheden. Echter, de herziening introduceert een belangrijke aanvullende tussenstap richting klimaatneutraliteit en verplicht de Commissie om regelmatig uitgebreide evaluaties en effectbeoordelingen uit te voeren die hoogstwaarschijnlijk zullen resulteren in nieuwe of herzieningen van bestaande Europese klimaatwetgeving met decentrale relevantie.

Bronnen