EU-ministers voor milieu en klimaat hebben op 4 en 5 november 2025 een algemene oriëntatie bereikt over het Commissievoorstel tot wijziging van de Europese Klimaatwet (Verordening (EU) 2021/1119). Het voorstel COM(2025) 524 final introduceert een nieuw 2040-doel: een netto-reductie van 90% van de broeikasgasemissies ten opzichte van 1990. Dit akkoord heeft ook gevolgen voor decentrale overheden, die in toenemende mate verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van Europese klimaatdoelen. Dit artikel gaat in op de juridische context, decentrale gevolgen en bestuurlijke betekenis van het akkoord.
Juridisch kader
Rechtsgrondslag
De Europese Klimaatwet, vastgelegd in Verordening (EU) 2021/1119, verankert de langetermijndoelstelling in bindende EU-wetgeving en verplicht de lidstaten om beleid te voeren dat in lijn is met het Europese einddoel. De Europese Commissie ziet daarbij toe op de naleving en rapporteert over de voortgang richting klimaatneutraliteit.
Wijziging
De voorgestelde wijziging introduceert een nieuw bindend tussendoel voor 2040: een netto-reductie van 90% van de broeikasgasemissies ten opzichte van 1990. Daarnaast verplicht het voorstel de Commissie om uiterlijk in 2027 een routekaart naar klimaatneutraliteit in 2050 te presenteren. Deze routekaart moet inzicht geven in de bijdrage van sectoren zoals energie, industrie, landbouw en vervoer, en de koppeling met bestaande EU-instrumenten verduidelijken, waaronder het Sociaal Klimaatfonds (SKF), het Just Transition Fund (JTF), en het Innovatiefonds.
Met deze algemene oriëntatie hebben de lidstaten binnen de Raad hun gezamenlijke standpunt bepaald over het voorstel van de Europese Commissie. Deze stap vormt de onderhandelingsbasis voor de komende trialoogonderhandelingen, het overleg tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie waarin de uiteindelijke wetstekst wordt vastgesteld. Pas na afronding van dat proces kan de gewijzigde verordening worden aangenomen en in werking treden.
Koppeling met EU-beleidsinstrumenten
De wijziging bouwt voort op bestaande wetgevingskaders, waaronder het Fit for 55-pakket en de Europese Green Deal, en versterkt de verplichting tot beleidscoherentie tussen klimaat-, energie- en industriebeleid.
Decentrale relevantie
De wijziging van de Europese Klimaatwet heeft directe gevolgen voor de decentrale overheden in Nederland. Provincies en gemeenten zijn belangrijke uitvoerders van het Europese klimaatbeleid. Zij spelen een centrale rol bij de realisatie van emissiereductie in de gebouwde omgeving, energievoorziening, mobiliteit en landbouw, maar ook bij de ruimtelijke inpassing van duurzame infrastructuur.
Het nieuwe 2040-doel versterkt de noodzaak tot gecoördineerde uitvoering. Lidstaten moeten hun nationale klimaatstrategieën en energieplannen (NECP’s) in lijn brengen met de aangescherpte doelstelling. Die strategieën rusten in sterke mate op regionale en lokale uitvoering, bijvoorbeeld via Regionale Energiestrategieën (RES’en), programma’s voor klimaatadaptatie en de uitrol van emissievrije mobiliteit.
De uitvoering van EU-klimaatdoelen gebeurt voor een belangrijk deel via regionale en lokale maatregelen
Daarnaast introduceert het voorstel nieuwe rapportage- en monitoringsverplichtingen. Deze verplichtingen kunnen doorwerken tot op lokaal niveau, waar data over energieverbruik, emissies en voortgang van klimaatmaatregelen worden verzameld. Gemeenten en provincies leveren daarmee input voor de nationale rapportages aan de Commissie. Een robuuste lokale data-infrastructuur wordt daarmee steeds belangrijker, omdat gemeenten en provincies de gegevens moeten aanleveren waarmee lidstaten hun voortgang richting het 2040-doel kunnen rapporteren aan de Europese Commissie.
De uitvoering van de Klimaatwet is nauw verbonden met diverse Europese financieringsinstrumenten. De belangrijkste fondsen die bijdragen aan de realisatie van het 2040-doel zijn:
- het Sociaal Klimaatfonds (SKF) – gericht op ondersteuning van kwetsbare huishoudens en kleine ondernemingen in de energietransitie;
- het Just Transition Fund (JTF) – bedoeld om regio’s te helpen die sterk afhankelijk zijn van koolstofintensieve industrieën;
- het RePowerEU-programma – dat inzet op energieonafhankelijkheid en versnelde uitrol van hernieuwbare energie;
- en het LIFE-programma – dat innovatieve projecten voor milieu, klimaat en natuur financiert.
De koppeling van deze fondsen aan de nieuwe Klimaatwet betekent dat decentrale overheden zich vroegtijdig moeten positioneren bij de voorbereiding van uitvoeringsprogramma’s en partnerschappen.
Tot slot kan de aanscherping van de klimaatdoelen gevolgen hebben voor de toepassing van de Europese staatssteunregels. Naar verwachting zal de Commissie in aansluiting op de herziene Klimaatwet de kaders voor duurzame investeringen (zoals de Klimaat-, Milieu- en Energie-steunkaders) verder actualiseren. Voor decentrale overheden is het daarom essentieel om bij de financiering van lokale klimaatprojecten tijdig te toetsen of steunverlening plaatsvindt binnen de vrijstellingen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of onder een specifieke DAEB-opdracht.
Europees wetgevingsproces
Het voorstel tot wijziging van de Europese Klimaatwet volgt de gewone wetgevingsprocedure (ook wel medebeslissingsprocedure genoemd) op grond van artikel 192, lid 1, VWEU. Dit betekent dat zowel de Raad als het Parlement wetgever zijn en gezamenlijk tot een definitieve tekst moeten komen.
Het Parlement werkt momenteel aan zijn eigen positie. De stemming in de bevoegde Commissie Milieubeheer, Volksgezondheid en Voedselveiligheid (ENVI) wordt begin 2026 verwacht, gevolgd door een plenaire stemming later dat voorjaar.
Na vaststelling van hun standpunten starten Raad, Parlement en Commissie het trialoogoverleg om een compromistekst te sluiten, die naar verwachting in 2026 wordt afgerond en kort daarna als gewijzigde Klimaatwet in het Publicatieblad verschijnt.
Na publicatie treedt de verordening twintig dagen later in werking. De lidstaten, en in het verlengde daarvan de decentrale overheden, zullen zich dan moeten richten op de uitvoering van het 2040-doel, inclusief nieuwe verplichtingen voor monitoring, datarapportage en beleidsafstemming binnen de nationale klimaatplannen.
Deze wijziging vormt het startpunt voor de volgende fase van de Europese klimaatwetgeving, waarin de koppeling tussen klimaatdoelen, energie- en industrieel beleid en financieringsinstrumenten zoals het Sociaal Klimaatfonds, het Just Transition Fund en het Innovatiefonds verder wordt versterkt.
Bestuurlijke betekenis
De aanpassing van de Europese Klimaatwet markeert een nieuwe fase in de bestuurlijke inrichting van het Europese klimaatbeleid. Waar de nadruk voorheen vooral lag op nationale doelstellingen, verschuift de aandacht nu naar uitvoering op regionaal en lokaal niveau. Europese doelen worden steeds vaker bereikt via provinciale en gemeentelijke maatregelen, ondersteund door Europese financiering en toezicht op de voortgang.
Beleidsafstemming
Voor provincies en gemeenten betekent dit dat zij hun beleid in toenemende mate moeten afstemmen op de nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s), zodat lokale maatregelen aantoonbaar bijdragen aan de nationale rapportage aan de Commissie. Lokale en regionale investeringen in de gebouwde omgeving, mobiliteit, landbouw en hernieuwbare energie moeten meetellen in de nationale rapportages aan de Commissie. Ook vraagt de nieuwe klimaatgovernance om bestuurlijke verankering van klimaatadaptatie en energiearmoedebeleid. Door de regionale uitvoeringsprogramma’s te integreren met NECP’s versterkten provincies hun positie bij de prioritering van maatregelen en de verdeling van financiering.
Financiering
De uitvoering van het 2040-doel zal grotendeels afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van Europese middelen. Decentrale overheden kunnen hierbij gebruik maken van een breed palet aan EU-fondsen:
- Het Sociaal Klimaatfonds (SKF): voor steun aan kwetsbare huishoudens ne kleine ondernemingen.
- Het Just Transition Fund (JTF): voor regio’s met een hoge afhankelijkheid van co-2 intensieve industrieën
- RePowerEU: dat de versnelling van hernieuwbare energieproductie en energiebesparing ondersteund.
- Het LIFE-programma: voor innovatieve projecten op het gebied van milieu, natuur en klimaat.
- En Horizon Europe: dat samenwerking en kennisontwikkeling tussen regio’s stimuleert.
Door tijdig aansluiting te zoeken bij deze instrumenten kunnen provincies en gemeenten lokale transitieprojecten structureel financieren. Tegelijkertijd moeten zij aandacht houden voor de juridische kaders die bij Europese financiering horen, zoals het staatssteunrecht en het aanbestedingsrecht. Bij de toekenning van steun gelden de regels van AGVV, en bij de uitvoering blijven de Europese drempelwaarden en aanbestedingsprocedures onverkort van kracht.
Bestuur, samenwerking en data
De herziene Klimaatwet versterkt de nadruk op transparantie en datadeling binnen het Europese klimaatbestuur. Lidstaten worden verplicht om voortgang te monitoren door indicatoren voor emissiereductie, energiearmoede en rechtvaardigheid. Gemeenten en provincies spelen hierin een sleutelrol: zij beschikken over gegevens over energieverbruik, woningvoorraad, mobiliteitspatronen en klimaatrisico’s. Door deze data te bundelen in regionale systemen kunnen decentrale overheden direct bijdragen aan de nationale rapportage van de Commissie.
Effectieve fondsinzet vraagt vroege afstemming én correcte toepassing van staatssteun- en aanbestedingsregels
Samenwerking in Europese netwerken en projecten blijft bovendien van groot belang. Deelname aan programma’s als Interreg en Horizon Europe bevordert kennisuitwisseling over innovatieve oplossingen, zoals circulaire bouw, emissievrije logistiek en klimaatbestendige infrastructuur. Deze platforms bieden kansen om beleid te testen, ervaringen te delen en partnerschappen te ontwikkelen die later structureel kunnen worden ingebed in nationale strategieën.
Wat moet u nu doen?
Bestuurlijk gezien betekent dit concreet dat decentrale overheden hun rol in de uitvoering van het Europese klimaatbeleid structureel moeten versterken. De herziene Klimaatwet en de bestaande governanceverplichtingen leggen nadruk op nauwere samenwerking tussen bestuurslagen en op betrouwbare rapportage over voortgang richting het 2040-doel.
In de praktijk vraagt dit dat provincies en gemeenten nu al aan de slag gaan met vier kerntaken:
- Beleidsafstemming: stem lokale en regionale klimaat- en energieprogramma’s af op NECP’s, dat op grond van de Governanceverordening (EU) 2018/1999 aan de Europese Commissie wordt gerapporteerd. Lokale voortgangsdata over emissies, energieverbruik en mobiliteit zijn onmisbaar voor die nationale rapportages.
- Financiering: bereid projecten voor die aansluiten bij Europese financieringsinstrumenten zoals het SKF, het JTF, RePowerEU en het LIFE-programma. Vroege afstemming met nationale fondsbeheerders vergroot de kans op toewijzing en voorkomt overlap met bestaande programma’s.
- Juridische toetsing: beoordeel of steun aan ondernemingen of projecten kan worden verleend binnen de AGVV of DAEB. Een correcte toepassing voorkomt risico’s op onrechtmatige staatssteun of terugvordering van middelen.
- Datarapportage en transparantie: versterk de lokale data-infrastructuur voor monitoring van emissies, energiearmoede en klimaatadaptatie. Deze gegevens vormen de basis voor de nationale voortgangsrapportages waarmee de Commissie, op grond van artikel 6 van de Klimaatwet, de gezamenlijke EU-prestaties beoordeelt.
De herziene Klimaatwet bevestigt daarmee de ontwikkeling naar een meerlagige-klimaatgovernance: Europese doelstellingen worden bereikt via nationale plannen en regionale uitvoering. Gemeenten en provincies die nu investeren in beleidsafstemming, fondstoegang, juridische naleving en datakwaliteit vergroten hun invloed op de nationale klimaatstrategie en op de inrichting van de Europese transitie zelf.
Bronnen
- Voorstel wijziging Verordening (EU) 2021/1119 – Europese Commissie
- Persbericht algemene oriëntatie Klimaatwet – Raad van de Europese Unie
- Algemene oriëntatie Klimaatwet 2040-doel – Raad van de Europese Unie
- Raadsconclusies 23 oktober 2025 – Raad van de Europese Unie