Als een bestuursorgaan van een decentrale overheid heeft vastgesteld dat de gedragsregels van toepassing zijn, moet het onder meer de integrale kostprijs van de economische activiteit doorberekenen. Op deze pagina bespreken we de manier waarop decentrale overheden de integrale kosten mogen bepalen, welke kosten dit betreft en wanneer decentrale overheden geen integrale kosten hoeven door te berekenen.
Juridisch kader
Het specifieke relevante juridische kader voor de verplichting tot integralekostprijsdoorberekening is als volgt:
- artikel 25i van de Mededingingswet,
- artikelen 3 tot en met 8 van het Besluit Markt en overheid, en
- de nadere informatie uit Hoofdstuk 4.1 van de Handreiking Wet markt en overheid.
Berekenmethode integrale kosten
Het is primair aan decentrale overheden zelf om de berekenmethode voor integrale kosten te bepalen. De Mededingingswet legt geen vaste berekenmethode voor de integrale kosten vast; artikel 3 van het Besluit markt en overheid geeft alleen de uitgangspunten dat op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen bedrijfseconomische principes kosten worden berekend met toepassing van een stelsel van baten en lasten. Alle kosten die verband houden met de economische activiteit moeten worden meegenomen en in rekening worden gebracht bij de afnemer van de dienst. De bewijslast van een juiste en volledige berekening van de integrale kosten ligt bij de decentrale overheid zelf. Bovenstaande komt neer op het kunnen beargumenteren waarom het bestuursorgaan bepaalde principes voor de berekening heeft gebruikt.
Definitie en soorten kosten
Operationele kosten, afschrijving- en onderhoudskosten en vermogenskosten van een economische activiteit moeten in elk geval worden meegerekend. Zie daarvoor artikel 5 van het Besluit markt en overheid. De Handreiking Wet Markt & Overheid geeft op pagina 31 richtlijnen voor het bepalen van de integrale kosten. Kosten zijn de in geldbedragen uit te drukken waardering van goederen en diensten die de betreffende eenheid voor de economische activiteit gebruikt. Dit geldt voor zowel directe als indirecte kosten die enig verband houden met de uitvoering van de economische activiteit. De volgende kostensoorten kunnen in ieder geval worden onderscheiden:
- Operationele kosten zijn verbonden met de uitvoering van de activiteiten. Dit gaat om personeels-, huisvestings-, automatiserings-, materiƫle, overhead-, verzekerings- energiekosten of kosten voor accountmanagement in verband met de economische activiteit. Dit gaat mogelijk om rechtstreekse uitgaven die gedaan moeten worden. Ook kan het hier gaan om gebruikskosten van bezittingen die een onderneming al langer heeft. Weliswaar is de aankoop daarvan afgeschreven, maar het goed heeft zijn waarde behouden.
- Afschrijvingen zijn boekhoudkundige handelingen om de waarde van aankopen met een systematisch bepaalbare langdurigere inzet uit te spreiden. Sommige investeringen moeten meerdere jaren meegaan, waardoor een onderneming de aanschafkosten over deze jaren systematisch moet spreiden. Dit heet afschrijven. Een onderneming kan deze afschrijvingen periodiek opvoeren, in plaats van alleen het moment van aankoop.
- Onderhoudskosten houden ook verband met de (beoogd) langdurige inzet van investeringen of bedrijfsmiddelen. Onderhoud kan de duurzame inzet van de materialen stimuleren. Zo kan een onderneming een actief met boekwaarde nul niet verder afschrijven, maar alsnog overige kosten voor onderhoud maken.
- Vermogenskosten. Een onderneming heeft vermogen nodig om investeringen te doen. Als dit uit eigen reserves komt, maakt de onderneming kosten op het eigen vermogen in bijvoorbeeld de vorm van gemiste rente. Kosten voor leningen (vreemd vermogen) zijn de te betalen rente. Afhankelijk van de (overheids)onderneming zijn belastingeffecten mee te rekenen. Gangbaar is om te rekenen met gewogen gemiddelden voor de kapitaalkosten, al dan niet volgens een WACC-formule (weighted average cost of capital: gemiddelde gewogen kapitaalkosten), of een vast te stellen omslagrentevoet.
Integrale kostprijs of marktconform tarief?
Uit het juridische kader vloeit alleen de verplichting voort tot doorberekening van de integrale kostprijs van de economische activiteiten aan de afnemers. Als een decentrale overheid echter een economische activiteit uitoefent op vergelijkbare wijze als een anders dan publiekrechtelijk georganiseerde onderneming, kan de vraag opkomen of zij niet ook marktconforme tarieven zouden mogen rekenen. In het kader van de Wet markt en overheid lijkt voor een dergelijke vergelijking geen ruimte te bestaan.
Als marktconforme tarieven hoger liggen dan de berekende integrale kostprijs mag de overheid besluiten om de marktconforme prijs te rekenen. Immers zitten alle integrale kosten in de marktconforme prijs doorberekend. Als marktconforme tarieven lager liggen dan de berekende integrale kostprijs moet de overheid zich houden aan de gedragsregel en de integrale kostprijs doorberekenen. Zie hiervoor ook de uitwerking bij vraag 8 op pagina 18 van de Handreiking Markt en Overheid.
Uitzonderingen
In de volgende drie gevallen hoeven bestuursorganen van decentrale overheden volgens artikel 25i Mededingingswet geen integrale kosten door te berekenen:
- bij uitoefening van bijzondere of uitsluitende rechten en als daarvoor al tariefvoorschriften gelden;
- als de economische activiteit het verstrekken van data(bestanden) betreft en de data zijn verkregen in het kader van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden; of
- voor gemeentes: als het college van burgemeester en wethouders een privaatrechtelijke rechtspersoon belast met de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, en de vergoeding onder artikel 5 van die wet valt.
Verder is volgens artikel 5 lid twee van het Besluit Markt en Overheid een bestuursorgaan ook niet verplicht om kosten door te berekenen voor:
- beleidsvoorbereiding en inspraak;
- toezicht en handhaving;
- bezwaar en beroep.