Europese rechtspraak

Gepubliceerd: 9 maart 2026

Door: , en


Introductie

De voorwaarden voor de toekenning van landbouw de-minimissteun op grond van Verordening (EU) nr. 1408/2013 werden op 16 januari 2026 toegelicht door het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in Zaak C-615/24.* Een centrale vraag in deze zaak was of Artikelen 3 en 6 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 in de weg staan van landbouw de-minimissteun, indien de betrokken onderneming geen verklaring over eerder ontvangen de-minimissteun heeft overgelegd en er nog geen volledig centraal de-minimisregister in gebruik is?

Het Hof oordeelde dat een verklaring van ontvangen de-minimisssteun over drie belastingjaren een voorwaarde is voor de toekenning van landbouw de-minimissteun. Lidstaten dragen er zorg voor dat een dergelijke verklaring van de betrokken onderneming wordt verkregen. Die verplichting vervalt als het gebruik van een centraal de-minimisregister op nationaal of EU-niveau een periode van drie belastingjaren bestrijkt in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1408/2013.*

*Let op: Verordening (EU) nr. 1408/2013 is gewijzigd op 10 december 2024 (zie Verordening (EU) nr. 2024/3118). Een van de belangrijke wijzigingen is dat Verordening (EU) nr. 2024/3118  spreekt over “drie jaren”, in plaats van “drie belastingjaren.” Daarnaast zijn lidstaten vanaf 1 januari 2027 verplicht om verleende landbouw de-minimissteun te registreren in een centraal de-minimisregister op nationaal of EU-niveau (Artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2024/3118).

Zaak

Zaak C-615/24 Azienda Agricola Camarzano di RK (landbouwonderneming “Azienda Agricola”) tegen Ambito territoriale di caccia Ancona 2 (jachtgebied Ancona 2, Italië “ATC”)

Beleidsdossier en thematiek

StaatssteunDe-Minimissteun Landbouwsector – Monitoring

Feiten

Deze zaak betrof het conflict tussen landbouwonderneming “Azienda Agricola” en Ambito territoriale di caccia Ancona 2 (Jachtgebied Ancona 2), het “ATC”, in Italië. In dit geschil staat de schade die landbouwonderneming Azienda Agricola heeft geleden aan haar gewassen door in het wild levende dieren centraal. In 2014 heeft Azienda Agricola 1000 euro schade geleden volgens de landbouwdeskundige die is ingeschakeld door het ATC. Desondanks heeft Azienda Agricola geen schadevergoeding ontvangen van het ATC. Het ATC werd vervolgens door Azienda Agricola in gebreke gesteld. Het ATC gaf echter aan de schadevergoeding niet op korte termijn te kunnen betalen.

Het beroep dat Azienda Agricola daartoe instelde bij de Giudice di pace di Jesi (vrederechter Jesi, Italië) om de schadevergoeding te vorderen, werd toegekend. Het ATC heeft zich tegen deze beschikking verzet en daarbij onder meer aangevoerd dat Azienda Agricola, “geen recht had op schadevergoeding omdat zij geen verklaring had overgelegd over de eventuele ontvangst van de-minimissteun in het lopende belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren.

De vrederechter heeft dat verzet afgewezen. De vaststelling of de steun voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1408/2013, kon ook worden gedaan door middel van het speciale register dat door de staat is opgezet, volgens de vrederechter. Het Tribunale di Ancona (rechter in tweede aanleg Ancona, Italië) bevestigde het vonnis van de vrederechter. De rechter in tweede aanleg oordeelde onder meer dat een regionale regeling van kracht was in deze zaak, en dat die regeling niet vroeg om een dergelijke de-minimisverklaring.

Het ATC ging in cassatieberoep bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) en beargumenteerde dat de regionale regeling niet in lijn was met het EU-recht. Daartegen betoogde Azienda Agricola dat zij de regionale regeling in acht heeft genomen en dat het ATC niet heeft voldaan aan haar monitoringsverplichtingen in lijn met het EU-recht. Het ATC heeft Azienda Agricola ook nooit gevraagd om een verklaring over ontvangen de-minimissteun te overleggen. Uit latere monitoring bleek dat de maximale de-minimissteun niet was overschreden.

Deze feiten riepen bij de Corte suprema di cassazione vragen op over de uitlegging van Artikelen 3 en 6 van Verordening (EU) nr. 1408/2013.

Wetgeving

Artikelen 3 en 6 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector zijn van toepassing op dit arrest. Met name de monitoringsverplichtingen in Artikel 6 van die verordening vragen om toelichting.

Artikel 6, lid 1, bepaalt:

Voordat de lidstaat de steun verleent, verlangt hij van de betrokken onderneming een schriftelijke of elektronische verklaring over alle andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen.

Artikel 6, lid 2, bepaalt:

Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat volledige informatie bevat over alle de-minimissteun die door enige autoriteit in die lidstaat is verstrekt, is lid 1 niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie belastingjaren bestrijkt.

Prejudiciële vragen

In het licht van de bovenstaande feiten en wetgeving verzocht Corte suprema di cassazione het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1) Moeten [artikel 3 en artikel 6, leden 1 en 2,] van verordening nr. 1408/2013, in onderlinge  samenhang gelezen, aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een lidstaat kan voorzien in de verlening van de-minimissteun in de landbouw en deze steun in de eerste drie jaar na het opzetten van nationale databanken, althans totdat die databanken volledig en geactualiseerd  zullen zijn, kan verlenen zonder specifieke verklaring van de verzoekende onderneming over de omvang en de aard van andere staatssteun die zij in de referentieperiode van drie boekjaren heeft  ontvangen?

2) Is meer bepaald in het voornoemde tijdsbestek de overlegging van een eigen verklaring over eventuele bijdragen die in de drie voorafgaande jaren zijn ontvangen een onontbeerlijk vereiste om een verzoek tot schadevergoeding te kunnen indienen en voor staatssteun in aanmerking te komen, of kan die eigen verklaring rechtmatig ook pas in de monitoringsfase worden overgelegd, en dus nadat de steun is ontvangen?

Beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof

De eerste vraag

Het Hof merkte op dat Artikelen 3 en 6 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 strikt moeten worden uitgelegd en dat de steun moet voldoen aan alle voorwaarden die in de verordening zijn vastgelegd. Dit is van belang, omdat steun in de werkingssfeer van de verordening wordt vrijgesteld van de algemene aanmeldingsplicht voor staatssteun. Het Hof overwoog daarom dat het vastgelegde de-minimis plafond niet mag worden overschreden en dat de lidstaten moeten voldoen aan hun monitoringsverplichtingen.

Vanuit die overweging oordeelde het Hof dat het noodzakelijk is voor de toekenning van landbouw de-minimissteun dat de in Artikel 6, lid 1, bedoelde verklaring over de-minimissteun in de voorgaande twee belastingjaren en het lopende belastingjaar wordt verkregen. Volgens het Hof is een dergelijke verklaring nodig als voorwaarde voor landbouw de-minimissteun, zolang een centraal register op nationaal of EU-niveau niet voor de duur van drie belastingjaren in gebruik is (Artikel 6, lid 2).

Voorts beoordeelde het Hof dat Artikelen 3 en 6 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 in de weg staan aan een nationale regeling die geen dergelijke verklaring vereist als het de-minimisregister nog niet helemaal en compleet is aangelegd. 

De tweede vraag

Het Hof oordeelde dat de in Artikel 6, lid 1, bedoelde verklaring over de-minimissteun in de voorgaande belastingjaren geen voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van de steunaanvraag van de betrokken onderneming. Het Hof ziet de bovenstaande de-minimisverklaring als een voorwaarde voor de toekenning van landbouw de-minimissteun door de lidstaat.

Het Hof overwoog daarom dat een dergelijke verklaring ook later in de administratieve procedure van de steunaanvraag kan worden overgelegd. Het is aan de lidstaat om te zorgen dat die verklaring wordt verkregen wanneer deze nodig is, zodat kan worden nagegaan of aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1408/2013 wordt voldaan.

Decentrale relevantie

Totdat een compleet centraal register is opgezet, moeten (decentrale) overheden actief hun monitoringswerkzaamheden uitvoeren om in aanmerking te komen voor landbouw de-minimissteun. Ze moeten er onder meer voor zorgen dat een de-minimisverklaring van de betrokken onderneming wordt verkregen (Artikel 6, lid 1, Verordening (EU) nr. 1408/2013). Volgens het Hof is dit niet meer noodzakelijk als het gebruik van een centraal de-minimisregister op nationaal of EU-niveau een periode van drie belastingjaren bestrijkt (Artikel 6, lid 2, Verordening (EU) nr. 1408/2013).*

*Let wel op:  Verordening (EU) nr. 2024/3118 heeft de bovenstaande verordening gewijzigd en spreekt over “drie jaren” en niet over “drie belastingjaren”.

Bronnen

C-615/24 Ambito territoriale di caccia Ancona 2,  Expertisecentrum Europees Recht

Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector

Verordening (EU) 2024/3118 van de Commissie van 10 december 2024 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Meer informatie

U kunt op de de-minimisregister pagina terecht voor meer informatie.