Kartelverbod

Decentrale overheden die zich als onderneming op de markt begeven, moeten zich houden aan het kartelverbod (art. 101 VWEU). Zij mogen geen afspraken maken die zorgen voor een nadelige beïnvloeding van de interstatelijke handel. Ook mogen afspraken geen beperking, vervalsing of verhindering van de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt (kunnen) vormen.

Wat is een kartel?

Een kartel is een overeenkomst, een besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen ondernemingen met als doel om de onderlinge concurrentie te verminderen. Deze afspraken kunnen variëren van een prijsafspraak tot het gezamenlijk weren van nieuwkomers op de markt. Dergelijke afspraken werken effectieve concurrentie tegen. Daarom geldt er een kartelverbod.

Wet- en regelgeving kartelverbod

Onder wet- en regelgeving wordt uitgebreider ingegaan op de reikwijdte en uitzonderingen van het kartelverbod.

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG


Nieuws Kartelverbod

Praktijkvragen Kartelverbod

Zijn Europese staatssteunregels ook van toepassing op steun van overheden van buiten de EU?

Onze gemeente heeft klachten ontvangen van enkele ondernemingen omdat andere bedrijven financiële steun krijgen van overheden buiten de EU. Zij menen dat dit indruist tegen de Europese staatssteunregels. Klopt het dat deze regels bij steun van buiten de EU ook van toepassing zijn?
En hoe zit dat met de andere Europese interne marktregels, als er een overheid of ondernemingen van buiten de EU betrokken zijn?

Bekijk het antwoord

Publicaties Kartelverbod

Wet- en regelgeving Kartelverbod

Kartelverbod

Het kartelverbod is van toepassing op decentrale overheden die marktactiviteiten verrichten. Het verbod geldt voor de volgende soorten afspraken:

– Overeenkomsten tussen ondernemingen;
– Onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen;
– Besluiten van ondernemersverenigingen, met als doel het op merkbare wijze beperken van de mededinging.

Afspraken kartelverbod

Onder deze afspraken vallen met name:

– Het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen;
– Het rechtstreeks of zijdelings bepalen van andere contractuele voorwaarden;
– Het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
– Het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
– Het toepassen van, ten opzichte van handelspartners, ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, waardoor zij een nadeel ondervinden;
– Het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties die geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Reikwijdte

Het kartelverbod is van toepassing op decentrale overheden als zij zich als onderneming op de markt begeven. Als zij geen goederen of diensten aanbieden op de markt, vallen decentrale overheden niet onder het verbod.

Overheidsprerogatieven vallen niet onder het begrip onderneming, net als activiteiten van zuiver sociale aard.

Nuttig effectnorm

De nuttig effectnorm is door het Hof van Justitie in zijn jurisprudentie vastgelegd (Zaak 13/77 en Zaak 136/86). Decentrale overheden mag niet meewerken aan de totstandkoming van een kartel. Ook mogen zij niet hun eigen marktregulerende bevoegdheden overdragen aan marktpartijen op een manier waardoor die partijen een kartel kunnen vormen.

Uitzonderingen

Art. 101 lid 3 VWEU bevat uitzonderingen op het kartelverbod. Deze uitzonderingen zijn van toepassing op afspraken die bijdragen tot:

– Verbetering van de productie;
– Verbetering van de verdeling van producten;
– Verbetering van de technische of economische vooruitgang.

Een groot deel van deze verbeteringen moeten aan de gebruikers ten goede komen. Aan de betrokken ondernemingen mogen geen beperkingen worden opgelegd als die niet onmisbaar zijn voor het bereiken van de doelstellingen, of als met deze maatregelen een wezenlijk deel van de mededinging wordt uitgeschakeld.

Bagatelregeling

De bagatelregeling (art. 7 Mededingingswet) zondert mededingingsbeperkende afspraken uit van het kartelverbod als er uitsluitend kleine partijen bij zijn betrokken. Er mag geen effect zijn op de interstatelijke handel, de uitzondering geldt namelijk niet voor het Europese verbod. Mededingingsbeperkende afspraken zijn uitgezonderd van het verbod wanneer:

– Er niet meer dan acht ondernemingen zijn betrokken;
– De gezamenlijk omzet onder de grens van € 5.5 miljoen blijft bij levering van goederen of onder de € 1.1 miljoen in andere gevallen;
– De betrokken ondernemingen een gezamenlijk marktaandeel hebben van niet meer dan 10%.

De-minimisuitzondering

De de-minimisbekendmaking voor niet-merkbare mededingingsbeperkingen bevat uitzonderingen op het kartelverbod voor (overheids)ondernemingen die markttaken verrichten die niet tot een merkbare beperking van de mededinging leiden. De voorwaarden om aan deze uitzondering te voldoen zijn:

– Het gezamenlijk marktaandeel van de partijen is niet groter dan 10% op één van de relevante markten waarop de overeenkomst van invloed is. De ondernemingen die de overeenkomst hebben gesloten zijn (potentiële) concurrenten op één of meer van deze markten;
– Als de ondernemingen geen daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn, is het gezamenlijk marktaandeel niet groter dan 15%.

Als het moeilijk is te bepalen of het gaat om concurrenten of niet, is de 10% regeling van toepassing.

Nevenrestrictie

Als een afspraak tussen twee ondernemingen een clausule bevat die mededingingsbeperkend is, hoeft er nog geen sprake te zijn van een verboden kartel. Als de rest van de overeenkomst niet mededingingsbeperkend is, geldt dat ook niet voor de clausule en is de overeenkomst niet verboden. Dit wordt de nevenrestrictie genoemd.

X