De Verordening betreffende infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (AFIR, Verordening 2023/1804) verplicht de lidstaten om beleid te maken voor het aanleggen van infrastructuur voor elektrische auto’s in stedelijke gebieden. Daarnaast bevat de verordening bindende nationale streefcijfers voor de uitrol van voldoende infrastructuur voor alternatieve brandstoffen. De verordening is voornamelijk van toepassing om publieke laadpalen langs de weg en openbare TEN-T netwerk.
AFIR
Alternatieve brandstoffen zijn volgens de Verordening brandstoffen of energiebronnen die geheel of gedeeltelijk fossiele oliebronnen vervangen. Voorbeelden hiervan zijn elektriciteit, waterstof en biomassastoffen. Hiermee richt de AFIR zich op het bijdragen aan decarbonisatie en betere milieuprestaties van de vervoerssector.
De doelen van de Verordening zijn:
- zorgen voor een minimale infrastructuur voor alternatieve brandstoffen zodat het voor alle vervoerswijzen en lidstaten mogelijk wordt om voertuigen op alternatieve brandstoffen te laten rijden;
- zorgen voor volledige interoperabiliteit van de laad- en tankinfrastructuur met wat betreft fysieke laadaansluitingen, communicatie-uitwisseling en toegang voor personen met beperkte mobiliteit;
- en zorgen voor betalingsmogelijkheden bij infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.
Laadpalen
In de Verordening is vastgelegd dat lidstaten moeten zorgen voor een minimumaantal publiek toegankelijke oplaadpunten. Op grond van artikel 3 moet elke EU-lidstaat aan het einde van elk jaar voldoende openbare laadcapaciteit aanbieden op basis van het aantal ingeschreven voertuigen. Volgens de verordening is dat:
- Ten minste 1,3 kW openbaar laadvermogen per licht batterijelektrisch voertuig
- Ten minste 0,8 kW openbaar laadvermogen per licht plug in hybride voertuig
Op het TEN-T kernwegennet moet er in beide rijrichtingen elke 60 kilometer openbare laadplekken geïnstalleerd worden die voldoen aan de volgende eisen:
- Uiterlijk 2026: minstens 400 kilowatt laadvermogen per laadlocatie
- Uiterlijk 2028: minstens 600 kilowatt laadvermogen per laadlocatie
Op het uitgebreide TEN-T wegennetwerk geldt dezelfde eis, met het verschil dat voor 2028 de helft van dat netwerk laadplekken met minstens 300 kilowatt moet hebben. Voor 2031 moet dit op het volledige uitgebreide wegennetwerk zijn gerealiseerd. Uiterlijk in 2036 moe bovendien een laadvermogen van600 kilowatt per laadplek beschikbaar zijn.
Laadpalen voor zware elektrische voertuigen
De verordening introduceert ook eisen voor zware elektrische voertuigen, op grond van artikel 4. In het bijzonder bepalen de leden g en h dat elk stedelijk knooppunt, waar veel decentrale overheden onder vallen, moet beschikken over openbare laadpunten met een totaal laadvermogen van ten minste 900 kW. Vanaf 2030 moet deze beschikken over een totaal laadvermogen van tenminste 1800 kW.
Gerelateerde praktijkvraag
Waterstoftankstations en walstroom
Artikel 6 van de verordening vereist dat er voor 2031 een minimumaantal openbaar toegankelijke waterstoftankstations beschikbaar is. Langs het TEN-T kernnetwerk moet er per 31 december 2023 elke 200 kilometer een waterstoftankstation beschikbaar zijn. Daarnaast moet elk stedelijk knooppunt ook ministens over één waterstoftankstation beschikken, binnen dezelfde termijn.
Daarnaast stelt de Verordening eisen aan energievoorziening voor schepen. Artikel 10 schrijft voor dat in alle binnenhavens van het TEN-T kernnetwerk minstens één walstroomvoorziening beschikbaar zijn voor binnenschepen. Voor binnenhavens aan het uitgebreide netwerk geldt deze verplichting vanaf 2030. Artikel 11 bepaalt vervolgende dat zeehavens over een passen aantal LNG-tankpunten dienen te beschikken. Voor de luchtvaart is relevant dat op grond van artikel 12 alle luchthavens op het TEN-T netwerk elektriciteitsvoorzieningen moeten hebben voor stilstaande vliegtuigen. Lidstaten kunnen luchthavens met gemiddeld minder dan 10.000 commerciële vliegbewegingen per jaar over de laatste drie jaar vrijstellen van de verplichting om op alle buitenstandplaatsen van een luchtvaartuig elektriciteit te leveren.
Betalingsmogelijkheden en informatievoorziening
Volgens artikel 5 en 7 van de verordening moeten gebruikers van openbaar toegankelijke laadpalen (waterstof en elektriciteit) eenvoudig met een bankkaart of contactloos kunnen betalen. Bij laadpalen voor elektrische voertuigen met een laadvermogen van minder dan 50kW kan ook meteen QR-code betaald worden. Daarnaast verplicht de verordening dat er verschillende informatie beschikbaar is over de laadinfrastructuur, zoals prijzen, wachttijden en beschikbaarheid van laad-of tankstations.
Nationaal beleid voor alternatieve brandstoffen
Lidstaten moeten volgens artikel 14 een nationaal beleidskader ontwerpen voor de ontwikkeling van alternatieve brandstofvoorzieningen. Dit beleidskader bevat onder meer een beoordeling van de huidige stand van zaken en legt streefcijfers vast, zoals beschreven in artikel 3 en 4. Daarnaast omvat het de maatregelen die nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken. Ook dienen lidstaten aandacht te besteden aan de aanleg van voldoende laadinfrastructuur en bijbehorende voorzieningen voor wagenparken die in eigendom zijn van overheden. Bijlage II bevat de technische eisen waaraan onder meer de laadpunten moeten voldoen. In Nederland is dit beleidskader via open overheid te vinden.
Decentrale relevantie
Voor decentrale overheden is de AFIR-verordening vooral relevant vanwege de regels voor openbare laadpalen. Gemeenten zijn als eerste verantwoordelijk voor het plaatsen van openbare laadpalen voor elektrische voertuigen. Daarnaast zijn veel Nederlandse steden aangewezen als stedelijk knooppunt. In elk van deze knooppunten moet op grond van de AFIR-verordening ten minste één openbaar laadpunt voor zware elektrische voertuigen worden aangelegd. Bovendien zijn decentrale overheden een schakel in het helpen behalen van de nationale streefcijfers die de verordening verplicht. Bij concessies voor uitstootvrije ov-diensten, inclusief laadinfrastructuur is de AFIR-verordening ook relevant voor decentrale overheden. Zij dienen rekening te houden met de verschillende verplichtingen, waaronder de eisen rondom betalingen en de beschikbaarheid van laadpunten.