Mag een overheid de import van jachttrofeeën beperken?

oktober 2015

De EU hecht grote waarde aan een goed functionerende interne markt in Europa. Er zijn echter mogelijkheden om het importeren van een bepaald product vanuit andere lidstaten te verbieden. Mogen overheden het importeren van bepaalde producten, zoals bijvoorbeeld een geschoten tijger als jachttrofee, beperken? Mag onze gemeente het importeren van bepaalde producten verbieden, ook al bestaan er regels omtrent het vrij verkeer? 

Antwoord in het kort

Ja, in principe mag een overheid het importeren van bepaalde jachttrofeeën verbieden. Er zijn namelijk uitzonderingen op de regels omtrent het vrij verkeer mogelijk. Een van die mogelijkheden betreft een importverbod. Het vrij verkeer van goederen is geregeld in de artikelen 28 en 29 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 36 VWEU stelt dat er uitzonderingen mogelijk zijn op het vrije verkeer van goederen. Een voorbeeld hiervan is een beperking van de import uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van dieren.

Maar wat is een jachttrofee?

Om de vraag te kunnen beantwoorden of het mogelijk is om de import van jachttrofeeën te beperken is het ten eerste is het van belang om vast te stellen wat een jachttrofee is. Volgens de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) kan onder een jachttrofee verstaan worden: ‘een dier of een gemakkelijk herkenbaar deel of afgeleid product daarvan, dat aan de volgende voorwaarden voldoet:

Een geschoten dier (jachttrofee) kan als goed worden gezien. En dus valt het importeren van jachttrofeeën onder het vrij verkeer van goederen.

Het vrije verkeer:

Het vrij verkeer van goederen is geregeld in artikel 28 en 29 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 28 bepaalt dat ‘de Unie is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod meebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen’.

Met andere woorden: het recht op het vrije verkeer van goederen betekent dat er:

1) een verbod op douanerechten en heffingen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen lidstaten onderling is,
2) dat er een gemeenschappelijk douanetarief voor de handelsbetrekkingen met derde landen is, en 3) dat er een verbod is op iedere kwantitatieve beperking en maatregel van gelijke werking.

Dit betekent dat producten die uit een andere lidstaat worden ingevoerd, op dezelfde wijze moeten worden behandeld als nationale producten.

Uitzonderingen:

Het is echter mogelijk om uitzonderingen te maken op het recht om goederen vrij door de gehele Europese Unie te importeren en exporteren. De uitzonderingen op de specifieke verboden met betrekking tot in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen lidstaten onderling zijn vastgelegd in artikel 30, 34, 35 en 110 van het VWEU. Artikel 36 VWEU stelt dat het mogelijk is om uitzonderingen te maken op bijvoorbeeld het verbod om een beperking op de import te maken.

Artikel 36 VWEU

Artikel 36 VWEU vormt een uitzondering op de verboden van artikelen 34 en 35 VWEU. In artikel 34 staat het verbod op invoerbeperkingen en in artikel 35 staat het verbod op uitvoerbeperkingen. . Artikel 36 bepaalt dat de artikelen 34 en 35 niet gelden voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van:

– de openbare zedelijkheid;
– de openbare orde;
– de openbare veiligheid;
– de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten;
– het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit;
– het industriële of commerciële eigendom.

Daarnaast staat er in artikel 36 dat de verboden en/of beperkingen geen middel mogen zijn tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de interstatelijke handel.

Het Europese Hof van Justitie geeft een zeer strikte interpretatie aan deze lijst van afwijkingen, die allen verband houden met niet-economische belangen. De lijst is dan ook limitatief. Dit komt doordat dit artikel een uitzondering is op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, een van de belangrijkste beginselen van de EU.

Voorwaarden voor de toepassing
Artikel 36 VWEU stelt daarnaast nog een tweetal voorwaarden (Hof van Justitie Gebhard). Ten eerste moeten maatregelen gerechtvaardigd zijn om de in artikel 36 genoemde belangen te beschermen. Dit betekent dat de maatregel noodzakelijk moet zijn en dat er geen minder belemmerende maatregel is zijn waarmee het beoogde doel ook bereikt kan worden. Er zal dus een proportionaliteitstoets verricht moeten worden om te beoordelen of een maatregel evenredig is aan het te beschermen belang. De tweede voorwaarde is dat het inroepen van artikel 36 VWEU niet mag leiden tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten.

Beperkingen met betrekking tot het vrij verkeer van jachttrofeeën, bijvoorbeeld het verbod op het vervoeren van een geschoten Afrikaanse tijger van lidstaat A naar lidstaat B, zouden dus mogelijk te rechtvaardigen zijn. Dan moet wel aan de strikte interpretatie van artikel 36 en de niet economische belangen-eis plus aan de volgende vier voorwaarden worden voldaan:

1.    De maatregel moet zonder discriminatie worden toegepast;
2.    De maatregel moet kunnen worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van algemeen belang;
3.     De maatregel is Noodzakelijk en
4.     Proportioneel.

Cites-verordening

Met betrekking tot het importeren van jachttrofeeën is het ook nog belangrijk om de Europese CITES-verordening (338/97) te noemen. In deze verordening worden in het wild levende dier- en plantsoorten beschermt door controle op het handelsverkeer. Het doel van de verordening is om dier- en plantsoorten die in het wild leven te beschermen door middel van de controle op de internationale handel in specimens van deze soorten. De tijger staat bijvoorbeeld op de lijst van beschermde jachttrofeeën.

Conclusie import verbod op jachttrofeeën

Mochten maatregelen van de overheid leiden tot een importverbod voor jachttrofeeën onder artikel 36, dan zou deze gerechtvaardigd kunnen worden uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten. De lidstaat moet dus kunnen aantonen dat deze maatregel noodzakelijk is en dat het in de handel brengen van de betrokken producten bijvoorbeeld een ernstig veiligheidsrisico met zich meebrengt. Ook moet het in overeenstemming zijn met het beginsel van evenredigheid – er moet relevant bewijs zijn (technisch, wetenschappelijk, statistisch). (Zaak de Peijper 104/75). De objectieve rechtvaardiging mag niet van economisch belang zijn en moet proportioneel zijn. De overheid moet zich dus afvragen of er minder vergaande maatregelen mogelijk zijn om hetzelfde doel te bereiken?

Decentrale relevantie:

Het importverbod op jachttrofeeën wordt op rijksniveau geregeld. Het is echter ook denkbaar dat (decentrale) overheden in andere gevallen gebruik willen maken van de uitzonderingsmogelijkheden zoals bepaald in artikel 36 VWEU. Ook voor bijvoorbeeld een gemeente die overweegt zich te beroepen op de uitzonderingsmogelijkheden van artikel 36 geldt dat de gewenste maatregel moet passen binnen de strikte interpretatie van het Europese Hof van Justitie en dat de beperking geen economisch belang mag inhouden. Daarnaast kan de CITES-verordening mogelijk een rol spelen in maatregelen die (decentrale) overheden willen nemen ter bescherming van planten en dieren.

Door:

Femke Salverda, Europa decentraal

Meer informatie:

Vrij verkeer, Europa decentraal
Vrij verkeer van goederen, Europa decentraal

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG

X