Kenniscentrum Europa Decentraal (KED) scant het beleid van de Europese Unie (EU) op decentrale relevantie. Deze inhoud gaat vaak uit van basiskennis van het Europese recht en beleid, maar dat is niet altijd zo vanzelfsprekend. In elke tweewekelijkse Europese Ster geeft KED daarom twaalf inhoudelijke publicaties die meer zingeven aan en helderheid scheppen over de werking van Europees recht en beleid voor de decentrale praktijk.
In deze derde Euroscan nemen we de geldende EU-wetgeving per dossier onder de loep. Van een EEG die handel tussen lidstaten beoogde te vermeerderen en te diversifiëren, naar een EU die inzet op strategische veiligheidsbeslissingen. De Unie beweegt qua beleid met de grillen van de tijd mee. De regels die het handelen legitimeren zijn in de basis grotendeels gelijk gebleven, hier en daar aangevuld. Wij belichten de wetten op de dossiers Interne markt, aanbesteden, mededingingsrecht en staatssteun, digitalisering, klimaat en milieu, en mobiliteit.
De Verdragen betreffende de Europese Unie en de Werking van de Europese Unie (VEU en VWEU) leggen niet alleen de basisbevoegdheden neer voor de instellingen van de EU, maar ook voor de specifieke beleidsterreinen. Hiervoor kunnen de Instellingen terugvallen op de Verdragen zelf, maar ook op een instrumentarium dat bestaat uit verordeningen, richtlijnen, besluiten, adviezen en aanbevelingen. Bij de inzet van dat instrumentarium moeten de Instellingen de regels uit de Verdragen respecteren. Dit volgt uit artikel 288van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Die Europese wetten zijn op bijzondere wijze vervolgens van invloed op de rechtsorde van de lidstaten.
Soevereiniteitsoverdracht, Van Gend en Loos en loyaliteit
De invloed van Europees recht op nationale rechtsordes gaat gepaard met discussie. Waar vertegenwoordigers van zes Europese staten in de jaren ‘50 van de vorige eeuw de EEG oprichtten, met instellingen en bevoegdheden om bepaalde doelstellingen te bereiken, waren andere vertegenwoordigers van diezelfde lidstaten wat meer terughoudend om de rechtsinstrumenten vanuit de EEG te implementeren.
Dit gaf het Hof van Justitie in het Van Gend en Loos-arrest aanleiding om aan te geven dat lidstaten een deel van hun soevereiniteit over hadden gedragen aan een nieuwe, Europese rechtsorde. Belangrijker nog, in de verdragsregels las het Hof dat de rechtsorde uit zichzelf de rechtsorde van lidstaten zou kunnen beïnvloeden, o.a. door rechten aan individuen te geven.
De relatie tussen het Hof en de hoogste rechtsprekende instanties van de lidstaten leidt nog geregeld tot nuances op deze interpretatie.[1] De Verdragen ondersteunen deze rechtsdiscussie bijvoorbeeld in artikel 4 lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat het beginsel van loyale samenwerking tussen Unie en lidstaten vastlegt. Dit beginsel wordt ook het Unietrouwbeginsel of het nuttigeffectbeginsel genoemd.
Verdragen en Protocollen
Al het Europese recht is gebaseerd op de twee huidige Verdragen van de Europese Unie: het Verdrag betreffende de Europese Unie (“VEU”) en het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (“VWEU”). Het VEU legt de waarden van de EU vast, het institutionele kader en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
Het VWEU is functioneel ingericht en geeft over zeven delen de bevoegdheden aan, enkele algemene rechten en verboden, en werkt vervolgens in verscheidene delen alle bevoegdheden (naast het GBVB) van de EU uit. Alle normen geven van algemeen naar specifiek weer wie binnen het institutionele kader van de EU welke handelingen mag uitoefenen en op welke manier. Aan de Verdragen zijn veel Protocollen toegevoegd. Voor decentrale overheden zijn met name Protocol nr. 2 over de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en Protocol nr. 3 (zoals laatst gewijzigd bij Verordening 2024/2019) over het Statuut van het Hof van Justitie, en Protocol nr. 26 over diensten van algemeen economisch belang relevant. Ook heeft de Europese Unie haar eigen grondrechtbeschermingsregime, dat is neergelegd in het Handvest. In andere documenten vastgelegde grondrechten vormen algemene rechtsbeginselen die van invloed zijn op het Europees recht.
Bevoegdheid EU
De EU en haar instellingen mogen niet buiten toegekende verdragsbevoegdheden treden. Het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie categoriseert de kernbevoegdheden van de Europese Unie in artikelen 2 tot en met 6 als volgt:
- Exclusieve bevoegdheden, die alleen de EU mag uitoefenen. Lidstaten mogen dus geen wetten maken waar de EU een exclusieve bevoegdheid heeft. Dit gaat onder andere om de mededingingsregels en het staatssteunrecht ter bevordering van de interne markt.
- Gedeelde bevoegdheden waarin de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel per situatie uitmaakt of lidstaten mogen handelen, dan wel de Europese Unie. Voor zover de EU geen bevoegdheid heeft gekregen, blijft deze bij de lidstaten. Hieronder vallen aanbestedingen, vrij verkeer en milieu.
- Coördinerende, ondersteunende of faciliterende bevoegdheden, waarbij wetgevend optreden voornamelijk bij de lidstaten blijft.
De Verdragen bepalen per beleidsterrein de procedures die de instellingen moeten volgen om legitiem EU-maatregelen te treffen voor het behalen van specifieke doelstellingen. De tekst van die bepalingen is hierin leidend, omdat deze verschillende procedures kan aangeven. De gewone wetgevingsprocedure wordt het meest ingezet.[2] Dat gaat meestal over de vaststelling van verordeningen of richtlijnen, op voorstel van de Europese Commissie, en na één of meerdere stem- en mogelijke amendementsrondes tussen het Europees Parlement en de Raad.
Hierbij moeten de Instellingen zich aan het attributiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel houden om te bepalen of en zo ja in hoeverre wetgeving op EU-niveau mag gelden. Het attributiebeginsel houdt in dat de specifieke Verdragstekst bevoegdheid moet verlenen aan de EU en haar instellingen. Evenredigheid houdt in dat de EU slechts het noodzakelijke mag regelen, en zich daartoe moet beperken, zonder aan betrokken of specifiek geraakte belangen een al te zware last op te leggen.
Voor de uitoefening van gedeelde bevoegdheden komt daar het subsidiariteitsbeginsel tussen, dat stelt dat de EU-instellingen moeten overwegen of probleemoplossing niet meer op lands-, regionaal-, of anderszins decentraal niveau kan plaatsvinden.
Decentraal relevant ligt het verschil tussen verordeningen en richtlijnen in hun kenmerkende eigenschappen. Verordeningen zijn – afhankelijk van de inhoudelijke bepalingen – zonder omzetting-/implementatiehandeling in beginsel van toepassing op de decentrale overheden. Daarentegen bevatten richtlijnen vaak meer abstracte algemene bepalingen, waar eerst nationale of zelfs decentraal beleidsinzicht aan te pas komt om deze om te zetten, te implementeren, of toe te passen.[3]
Dossiers
Nu de koppeling van de Verdragen aan verordeningen en richtlijnen zijn uitgelegd, nemen wij u aan de hand van de prioriteitsdossiers van KED mee door de voornaamste rechtsbronnen die elk van deze gebieden kent.
Vrij verkeer
Het dossier vrij verkeer beslaat de hoofdregels van de interne markt in de EU. De interne markt vormt de kern van het interne beleidsterrein van de Europese Unie. De dossiers mededinging, staatssteun, aanbesteden, mobiliteit en ook milieu zijn daar sterk mee verbonden. De interne markt omvat een vrijhandelszone met gemeenschappelijke buitengrenzen en douanetarieven, die het grondgebied van meerdere staten overspant. De regels om het verkeer tussen die staten zo mogelijk vrij van belemmeringen te laten zijn liggen vast in verschillende documenten. De reden hiervoor is dat sommige staten zich buiten de EU hielden, maar aan de vrijhandelszone wensten deel te nemen. Hieruit ontstond de Europese Vrijhandelsassociatie, met een eigen Conventie en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.[4]
Meest decentraal relevant zijn de regels voor het vrij verkeer van Unieburgers,[5] goederen,[6] werknemers,[7] en diensten.[8] Het gaat om belemmeringen- en discriminatieverboden in het VWEU en diens voorlopers. Het Hof van Justitie van de EU legde deze bepalingen uit via prejudiciële vraagprocedures.[9] Lidstaten en soms particulieren mogen de uitoefening van het vrije verkeersrecht van anderen niet belemmeren, behalve als zij hun handelen kunnen rechtvaardigen omwille van dwingende redenen van algemeen belang en evenredigheid.
In specifieke Europese wetten kregen de fundamentele vrijheden meer gestalte. Zo legt de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123) regels neer om onder andere vergunningensystemen in lijn te brengen met het vrij verkeer van diensten. De Burgerschapsrichtlijn (Richtlijn 2004/38) regelt het vrij reizen en verblijven van Unieburgers naar lidstaten vanuit de lidstaat van herkomst. De Werknemersbeschermingsverordening (Verordening 492/2011) verbiedt discriminatie van werknemers. Voor goederen heeft de Uniewetgever specifieke regels opgesteld, zoals de CE-markeringswetgeving (Verordening 765/2008 zoals gewijzigd bij Verordening 2019/1020) die ervoor moet zorgen dat alle producenten waarborgen dat de goederen die zij in de interne markt produceren een hoog niveau van gezondheid, veiligheid, consumenten- en milieu- en grondrechtenbescherming bieden.
Aanbesteden
Aanbesteden gaat over Europeesrechtelijke harmonisatiemaatregelen binnen het vrij verkeer van diensten en vrije vestiging. Het bevat regels die (de)centrale overheden en andere verplicht om opdrachten aan te bieden aan potentiële opdrachtnemers voor het laten leveren van goederen, uitvoeren van diensten, of realiseren van werken. Om te moeten aanbesteden, gelden drempelwaardes voor de opdrachten, en moeten de opdrachten via vaste procedures verlopen. Alle regels hierover staan in de Aanbestedingsrichtlijnen (Richtlijnen 2014/23, 2014/24, en 2014/25).
Vanaf hun oorsprong in de jaren ‘70 is de keus voor het Europees aanbestedingsrecht vervat in Richtlijnen. Hun basis in de Verdragen is een combinatie van de artikelen 53 lid 1, 62 en artikel 114 VWEU. Deze grondslag beslaat een bevoegdheid tot het uitsluitend mogen inzetten van richtlijnen voor de toegang tot ‘werkzaamheden anders dan in loondienst’. Een verordening voor deze grondslag mag de Europese wetgever dus niet aanwenden.[10]
Op de achtergrond van de aanbestedingsregels in de Richtlijnen is het algemene verbod op belemmerende maatregelen van lidstaten tot het vrij verkeer van diensten relevant. In zekere zin zorgen dit verbod en de Aanbestedingsrichtlijnen tezamen voor het systeem dat ervoor zorgt dat lidstaten op een naar huidige maatstaven zo eerlijk mogelijke manier hun diensten betrekken van het bedrijfsleven, om zo elke mogelijkheid van machtsmisbruik of oneerlijke bevoordeling van bepaalde bedrijven tegen te gaan.
Nederland heeft de drie Aanbestedingsrichtlijnen omgezet in de Aanbestedingswet 2012 en hier later de Gids Proportionaliteit en het Aanbestedingsreglement voor Werken 2016 aan toegevoegd.[11] Elke decentrale overheid krijgt als niet-centrale aanbestedende dienst onder de Richtlijnen met deze regels te maken.
Digitalisering
Digitalisering beslaat een breed dossier van Europese maatregelen dat op veel andere dossiers wijzigingen beoogt aan te brengen. Op EU-niveau heeft de weg naar digitaliseringwetgeving veelal vorm gekregen door internemarkt-, digitaliserings- en specifiekere strategieën van de Europese Commissie.[12] Het dossier kent veel wetgeving, vastgelegd in richtlijnen en verordeningen. De verdragstekst die de EU-instellingen veruit het meest gebruiken als basis voor de bevoegdheid voor deze wetgeving staat in artikel 114 VWEU.[13] Gebruik van deze rechtsgrondslag vereist dat de regels dienen om daadwerkelijke handelsbelemmeringen die ontstaan door onderling uiteenlopende regels te verhelpen. Dit heeft geleid tot wetgeving ter voorkoming van toekomstige handelsbelemmeringen. Dit maakt van het digitaliseringsdossier een veelal ingrijpende en omvangrijke collectie aan nieuwe wetten die uitdagende aanpassing en inzet vragen.
Vier thema’s wetgeving binnen Digitalisering:
- Digitale toegankelijkheid van de Europese samenleving:
- SDG-verordening (Verordening 2018/1724), en
- Uitvoeringsverordeningen OOTS (2022/1463) en gebruikersstatistieken en feedback (2020/1121),
- Chipsverordening (Verordening 2023/1781),
- Interoperabel Europa Verordening (Verordening 2024/903),
- Digitale Toegankelijkheidsrichtlijn overheid (Richtlijn 2016/2102/EU) en producten en diensten (Richtlijn 2019/882),
- eIDAS 2.0-Verordening (Verordening 2024/1183),
- Gigabitinfrastructuurverordening (Verordening (EU) 2024/1309).
- SDG-verordening (Verordening 2018/1724), en
- Data en Privacy:
- Databankenrichtlijn (Richtlijn 96/9),
- Europese cookiewet/ePrivacy Richtlijn (Richtlijn 2002/58),
- Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG; Verordening 2016/679),
- INSPIRE-richtlijn (Richtlijn 2007/2),
- Milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4),
- Open Data Richtlijn (Richtlijn 2019/1024) en
- Uitvoeringsverordening hoogwaardige datasets (Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138),
- Verordening vrij verkeer niet-persoonsgebonden gegevens (Verordening 2018/1807),
- Datagovernanceverordening (Verordening 2022/868),
- Dataverordening (Verordening 2023/2854).
- Cyberveiligheid:
- Cyberveiligheids-/ENISA-verordening (Verordening 2019/881),
- Horizontale cyberveiligheidsverordening (Verordening 2023/2841),
- Cyberweerbaarheidsverordening (Verordening 2024/2847),
- NIS2-Richtlijn (Richtlijn 2022/2555) en
- CER-Richtlijn (Richtlijn 2022/2557).
- Technologie en handel:
- AI-Verordening (Verordening 2024/1689),
- Digitaledienstenverordening (Verordening 2022/2065),
- Digitalemarktenverordening (Verordening 2022/1925).
Decentrale overheden komen op verschillende manieren met deze wetgeving in aanraking. Vanuit deze wetgeving krijgen zij de taken om de digitale publieke dienstverlening zo toegankelijk mogelijk te maken, de datahuishouding op orde te krijgen en zoveel mogelijk overheidsinformatie voor hergebruik beschikbaar te maken met bescherming van persoonsgegevens als uitgangspunt, of risico verminderende maatregelen te treffen om de cyberweerbaarheid te verhogen, en verantwoord met artificiële intelligentie om te gaan.

Mededingingsrecht
Het mededingingsrecht geeft verboden aan (staats)ondernemingen op kartelvorming en machtsmisbruik, reguleert de uitoefening van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en verplicht overheden tot het melden van steunmaatregelen. Ook het staatssteunrecht en de regelgeving over diensten van algemeen economisch belang maken deel uit van het mededingingsrecht. In de kern betekent mededingingsrecht dat elke economische activiteit gelijkwaardig aan het handelsverkeer in de EU moet kunnen deelnemen, zonder concurrentieverstorende handelswijzen van anderen, ongeacht of dit overheden of andere ondernemingen zijn.
Deze regels hebben hun historische wortels in het originele Verdrag van Rome uit 1957.[14] De EEG kreeg toen de exclusieve bevoegdheid om mededingingsregels te stellen voor het laten functioneren van de interne markt. Als gevolg van de Europese mededingingsregels hebben lidstaten spontaan in latere wetten hun eigen mededingingsrechtelijke regimes op poten gezet. Daarmee is dus onderscheid ontstaan tussen exclusieve mededingingsregels (waaronder het staatssteunrecht) die de verhouding tussen de lidstaten in de interne markt betreft, en mededingingsregels die de lidstaten zelf handhaven.[15]
Artikelen 101, 102, 106 tot en met 108 bevatten rechtstreeks werkende bepalingen die – voor zover relevant – bestuursrechtelijke organen zoals nationale rechters en mededingingsautoriteiten zelfstandig kunnen en mogen toepassen. Artikelen 103, en 105 tot en met 109 van het VWEU bevatten verder rechtsgrondslagen voor nadere wetten. Hierop hebben de EU-instellingen allerlei wetten gebaseerd die de handhaving van de mededingingsregels in banen beogen te leiden.
Los van de rechtstreekse werking van de bepalingen, heeft de Europese Commissie de bevoegdheid om boetes en andere maatregelen op te leggen aan ondernemingen in de EU. Jegens overheden mag zij bovendien deze maatregelen op verenigbaarheid met de interne markt te verifiëren. De eisen om tot zulke boetes te komen, zijn streng en talrijk en tot op de dag van vandaag aan ontwikkeling onderhevig. Beide rechtsgebieden zijn daarom ook data-intensief. In de beleidsvrijheid die de Commissie heeft om de complexe analyses met behulp van de gegevens op te stellen verzorgt zij ook begeleiding naar buiten toe. Hiertoe zet de Commissie vaak mededelingen met richtsnoeren in.[16]
Dit verklaart waarom het secundaire Europese mededingingsrecht uit veel Verordeningen bestaat en enkele Richtlijnen. Dit gaat o.a. om de groepsvrijstellingsverordeningen (zowel binnen mededingingsrecht als staatssteun), de minimisverordeningen voor DAEB, staatssteun algemeen en gespecificeerd naar landbouw en visserij, en de procedurele verordeningen.
Kader met mededingings- en staatssteunwetgeving
- Verordening 1/2003 voor de toepassing van artikelen 101 en 102 VWEU.
- Groepsvrijstelling verticale overeenkomsten (Verordening (EU) 2022/720)
- Groepsvrijstellingen over horizontale overeenkomsten (Verordening (EEG) nr. 2821/71)
- Verordening overeenkomsten technologieoverdracht (Verordening (EU) nr. 316/2014)
- Procedureverordening staatssteunregels (Verordening 2015/1589)
- De algemene de-minimisverordening voor staatssteun (Verordening (EU) nr. 2023/2831)
- de-minimisverordening voor staatssteun aan de landbouwsector (Verordening (EU) 1408/2013)
- de-minimisverordening voor staatssteun aan de visserijsector (Verordening (EU) 717/2014)
- DAEB De-minimisverordening (Verordening (EU) 2023/2832)
- Kaderregeling DAEB (Mededeling 2012/C 8/03)
- DAEB Mededeling (Mededeling 2012/C 8/02)
- Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV; Verordening (EU) nr. 651/2014)
- Landbouwvrijstellingsverordening (LVV; Verordening (EU) 2022/2472).;
- Visserijvrijstellingsverordening (VVV; Verordening (EU) 2022/2473)
- DAEB-vrijstellingsbesluit (Besluit 2012/21(1)/EU)
Al is het kartel- en misbruikverbod (artikel 101 en 102 VWEU) minder relevant voor decentrale overheden – omdat het van toepassing is op ondernemingen, geldt dat anders voor het DAEB-recht en staatssteunrecht.[17]
Klimaat en milieu
Europees klimaat- en milieubeleid heeft sinds de Europese Akte in 1986 een meer duidelijke inbedding in de Europese rechtsorde gekregen. Onder andere vanuit overwegingen van coherentie in het milieubeleid, gaf de eigen rechtsgrondslag voor milieu en energie een flinke boost aan het beleidsterrein.[18] In de EU ligt het milieu en energiebeleid vast in Titels XX en XXI van het derde deel, artikelen 191 tot en met 194 VWEU. Hierbinnen vormen vier beginselen de kern van het milieubeleid: het voorzorgsbeginsel, preventiebeginsel, het beginsel van bestrijding bij de bron en het beginsel dat de vervuiler betaalt.[19] Sinds 1992 heeft dit tot niet alleen de namens de EEG, EG en EU gesloten internationale overeenkomsten geleid, maar ook veel intern door de EU zelf opgestelde wetgeving.[20]
Buiten de Sustainable Development Goals die vanuit de Verenigde Naties zijn opgesteld, kent dit beleidsterrein verschillende acties op Europees niveau. Meest hedendaags In 2019 publiceerde de Europese Commissie de Mededeling van de Europese Green Deal met het initiatief om EU klimaatneutraal te maken in 2050 en voor te bereiden op een duurzame transitie.[21] Uit de Green Deal vloeide het Fit-for-55 wetgevingspakket voort dat 55% emissiereductie moet bewerkstelligen in 2030 ten opzichte van 1990. In april 2022 lanceerde de Raad het Achtste Milieuactieprogramma (MAP 8) met Besluit 2022/591, met acties om de ecologische voetafdruk van de EU te verkleinen, milieuonvriendelijke subsidies uit te faseren en milieuvriendelijke initiatieven te stimuleren. In februari van 2025 kwam hier de Clean Industrial Deal van de Europese Commissie bij, met plannen om CO2-uitstoot te verminderen, de circulaire economie te bevorderen en de concurrentiekracht van Europese bedrijven te stimuleren.
Bij KED valt het klimaat- en milieubeleid in verschillende thema’s uiteen: Afval, chemische stoffen, CO2 en Luchtkwaliteit, Energie, Klimaat en klimaatadaptatie, landbouw, Milieubeleid, Natuur en Biodiversiteit, en Waterbeheer. De wetgeving binnen deze thema’s overlapt onderling vaak en bevat vele nog specifiekere onderwerpen, van geluidshinder tot het tegengaan van gebruik van pesticiden. Elk van deze onderwerpen kent veel eigen wetgeving, met name richtlijnen. Het kader hieronder geeft ook de Europese financieringsmogelijkheden aan voor decentrale overheden om deel te nemen aan consortia in het ontwikkelen van schonere of duurzamere alternatieven.
Kader met Europese klimaat- en milieuwetgeving
- Afval:
- Richtlijn Storten (1999/31/EG)
- Kaderrichtlijn afvalstoffen (KRA) (2008/98/EG) Verordening 2024/1157 betreffende de overbrenging van afvalstoffen
- Richtlijn Radioactief afval (2011/70/Euratom)
- CO2 en luchtkwaliteit:
- Richtlijn geologische opslag van kooldioxide (CCS-richtlijn; 2009/31/EG)
- Beschikking Broeikasgasreductie tot 2020 (406/2009/EG)
- Richtlijn Emissiehandel (2003/87/EG)
- Richtlijn industriële emissies (RIE; 2010/75/EU)
- Richtlijn Luchtverontreiniging door middelgrote stookinstallaties (2015/2193)
- Richtlijn Ecologisch ontwerp voor energieverbruikende apparaten (2009/125/EG)
- Richtlijn Nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC-richtlijn; Richtlijn 2016/2284)
- Richtlijn schone en energiezuinige wegvoertuigen (2009/33/EG)
- Richtlijn luchtkwaliteit & schonere lucht (2008/50/EG)
- Richtlijn arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (2004/107/EG)
- Energie:
- Richtlijn inzake Energie-efficiëntie (Energy-Efficiency Directive (2023/179).
- Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen. Deze staat ook wel bekend als de EPBD-richtlijn (Energy Performance of Buildings Directive)
- Richtlijn elektriciteitsmarkt (2019/944)
- Richtlijn hernieuwbare energie (RED, 2023/2413)
- REACH verordening (Verordening 1907/2006).
- Richtlijn Indeling, Etikettering en Verpakking (Richtlijn 1272/2008)
- De Seveso III-Richtlijn (2012/18/EU)
- Klimaat
- Europese Klimaatwet (Verordening 2021/1119)
- Verordening Energie-Unie (Verordening 2018/1999)
- Richtlijn Overstromingsrisico’s (Richtlijn 2007/60/EG, ROR-Richtlijn)
- MER-richtlijn (Richtlijn 2014/52/EU, oorspronkelijk 2011/92/EU)
- Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43)
- Landbouw:
- Verordening dierlijke bijproducten (Verordening 1069/2009)
- Richtlijn gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (Richtlijn 86/278/EEG)
- Verordening EU-bemestingsproducten (Verordening 2009/1009)
- Richtlijn 2009/128/EG betreffende duurzaam gebruik van pesticiden
- Natuur en biodiversiteit
- Naast de Habitatrichtlijn, ook de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147)
- Bestrijding van invasieve uitheemse soorten (Verordening 1143/2014).
- Richtlijn dierentuinen (Richtlijn 1999/22)
- CITES-verordening (Verordening 338/97)
- houtverordening (Verordening 995/2010)
- criteria voor de certificering van biobrandstoffen in gedelegeerde Verordening 2019/807.
- Waterbeheer
- Kaderrichtlijn Water (2000/60)
- Kaderrichtlijn Mariene Strategie 2008/56/EC
- Richtlijn Prioritaire stoffen/Milieukwaliteitsnormen Water (MKN; Richtlijn 2008/105)
- Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676) en de Richtlijn behandeling stedelijk afvalwater (Richtlijn 91/271).
- Richtlijn Maritieme ruimtelijke planning voor de duurzame ontwikkeling en groei van maritieme gebieden van Europa (Richtlijn 2014/89).
- persistente organische verontreinigende stoffen POP-verordening,
- Richtlijn Industriële Emissies (RIE-Richtlijn) en de
- Richtlijn voor het duurzaam gebruik van pesticiden.
- Financieringsmogelijkheden:
- Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)
- Just Transition Fund (alleen voor bepaalde regio’s),
- tweede pijler van Horizon Europe, en
- ELENA (European Local Energy Assistance Facility) van de Europese Investeringsbank
Decentrale relevantie
Het klimaat- en milieubeleid van de Europese Unie grijpt in op veel taken van alle overheidslagen: afvalbeheer en de afvalhiërarchie, het behalen van CO2- en andere emissiereductiedoelstellingen, hernieuwbare energieproductie of energie-efficiënt ruimtelijk ordenen, verlening van milieuvergunningen, subsidies en toepassing van de staatssteunregels daarop, het uitvoeren van milieueffectrapportages en inspecties onder de MER-Richtlijnen, het verstrekken van milieu-informatie, het beheer van natuurgebieden die onder de Natura 2000 bescherming en instandhouding van bijzondere diersoorten, het beperken van lozingen van illegale chemische of anderszins persistente organische stoffen onder de REACH- en POP-verordeningen, het beheren van oppervlaktewateren onder de Kaderrichtlijn Water.
Mobiliteit
Het wettelijk kader op gebied van mobiliteit in de EU wordt hoofdzakelijk gevormd door een aantal Verordeningen, die op hun beurt weer hun grondslag vinden in Titel VI van het VWEU. Deze titel geeft de rechtsgrondslag voor het nemen van wetgevingsbesluiten op vervoersgebied. Titel XVI legt het fundament voor Trans-Europese Netwerken, waarvan het Trans-Europese Transportnetwerk (TEN-T) een belangrijke is. Artikel 172 VWEU stelt, net als voor Titel VI, de normale wetgevingsprocedure aan voor dit gebied, wat terug te zien is in wetgeving zoals de TEN-T-Verordening (Verordening 2024/1679). Vervoer en Trans-Europese Netwerken vallen onder de gedeelde bevoegdheden van de EU.
Het Trans-Europese Transportnetwerk is het grootste specifieke juridisch kader voor mobiliteit en vervoer in de Europese Unie. De Verordening deelt de transportverbindingen in Europa in in een aantal categorieën, waarvoor bepaalde eisen gelden die binnen verschillende termijnen vervuld moeten worden. Afhankelijk van het belang van een bepaalde verbinding of een bepaalde haven, vliegveld of station is deze ingedeeld in het uitgebreide netwerk, het uitgebreide kernnetwerk en het kernnetwerk. Deze netwerken hebben bepaalde vereisten die respectievelijk steeds strenger worden en die respectievelijk in 2050, 2040 en 2030 vervuld moeten worden. Hiervoor zijn subsidies beschikbaar vanuit de Connecting Europe Facility (CEF).
Naast de TEN-T-Verordening bestaat het wettelijk kader voor mobiliteit uit enkele andere stukken wetgeving die vaak verwant zijn aan TEN-T. Zo stelt de Verordening betreffende Infrastructuur voor Alternatieve Brandstoffen (AFIR) eisen aan laadpunten en tankmogelijkheden voor waterstof, eist de Richtlijn schone en energiezuinige voertuigen dat overheden hoofdzakelijk schone voertuigen inkopen en is er nog regelgeving betreffende gehandicaptenparkeerkaarten en rijbewijsverlening.
[1] Een voorbeeld hiervan is het Duitse Bundesverfassungsgericht dat in 2020 oordeelde dat het Hof van Justitie buiten de verdragsrechtelijke bevoegdheden uit artikel 19 VEU treedt, wanneer het objectief onbegrijpelijke en daarmee arbitraire uitspraken doet.
[2] Zie hiervoor artikelen 289 lid 1 en artikel 294 VWEU.
[3] Het verschil tussen verordeningen en richtlijnen leggen wij verder op de onderwerppagina Bronnen Europees recht en beleid uit.
[4] Dit verdrag sloten alle EU-lidstaten en Noorwegen, IJsland, en Liechtenstein. Zwitserland neemt deel aan de Europese Vrijhandelsassociatie, tekende de EER-Overeenkomst, maar besloot die later toch af te wijzen.
[5] Dit komt neer op het verbod op nationaliteitsdiscriminatie naar oorsprong, artikel 18 VWEU, nader uitgewerkt via de band van artikel 20 VWEU in Richtlijn 2004/38.
[6] Artikelen 30, 34 tot en met 36 en 110 VWEU.
[7] Artikel 45 VWEU.
[8] Artikel 56 en volgende VWEU
[9] Onder artikel 19 VEU en 267 VWEU mogen nationale rechters het Hof van Justitie vragen stellen voor uitleg van het Europees recht. Hiermee heeft het Hof van Justitie een rechtsvormende functie gekregen.
[10] Dit valt ook terug te lezen in het wetsvoorstel van de Europese Commissie voor de eerste Aanbestedingsrichtlijn.
[11] Zoals gewijzigd bij Besluit van 22 juni 2020.
[12] Artikelen 85 tot en met 94 van het Verdrag van Rome.
[13] Met uitzondering van de AVG en de AI-Verordening, die (ook) op grondslag van artikel 16 VEU zijn getroffen.
[14] Derde deel, titel I, Hoofdstuk 1, artikelen 85 en volgende EEG-Verdrag.
[15] Artikelen 101 tot en met 109 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
[16] Zie bijvoorbeeld de de-minimismededeling (2014/С 291/01) van de Europese Commissie met betrekking tot procedurele merkbare mededingingsbeperkingen in het kader van artikel 101 lid 1 VWEU.
[17] Ook kan artikel 4 lid 3 VEU in combinatie met artikelen 101 en 102 VWEU gebruikt worden jegens overheden, wanneer zij bewust kartels of misbruiken van machtsposities in stand laten of aanmoedigen.
[18] E. Orlando, The Evolution of EU Policy and Law in the Environmental Field: Achievements and Current Challenges, The Transatlantic Relationship and the future Global Governance Working Paper, p. 22.
[19] Zie artikel 191 lid 2 VWEU.
[20] Zie bijvoorbeeld de Alpenovereenkomst.
[21] Zie ook de Routekaart in de Bijlage bij de Green Deal, met de stappen om de strevens te bereiken.