Is een compensatie voor het verplaatsen van een landbouwbedrijf staatssteun?

mei 2018

In het kader van een gebiedsontwikkelingstraject overweegt onze provincie de verplaatsing van een agrarische onderneming. Het landbouwbedrijf bevindt zich nabij een woongebied en de verplaatsing zal bijdragen aan het verminderen van geuroverlast. De provincie wil een (financiële) compensatie toekennen aan het landbouwbedrijf voor de verplaatsing. Betreft een dergelijke compensatie staatssteun en zo ja, op welke wijze kan deze steunverlening dan ‘staatssteunproof’ plaatsvinden?

Antwoord in het kort:

Ja, het geven van een (financiële) compensatie voor de verplaatsing van een agrarisch bedrijf vormt mogelijk staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU. Er bestaan echter verschillende mogelijkheden om (onrechtmatige) staatssteun te voorkomen of om staatsteun geoorloofd te verlenen.

 Staatssteun en verplaatsing van een landbouwbedrijf

Om te bepalen of een voorgenomen maatregel van de overheid kwalificeert als staatssteun moet aan de volgende voorwaarden worden getoetst. Een overheidsmaatregel levert pas staatssteun op als aan alle hieronder opgesomde voorwaarden is voldaan:

In het geval dat een overheid een (financiële) compensatie verleent aan een landbouwbedrijf voor het verplaatsen van dit bedrijf, zal al gauw sprake zijn van staatssteun. De onderneming (het landbouwbedrijf) ontvangt van de provincie immers een niet-marktconform voordeel dat leidt tot (dreigende) vervalsing van de mededinging en ongunstige invloed op de interstatelijke handel. Aan de laatste voorwaarde wordt doorgaans in de landbouwsector gemakkelijk voldaan: het gaat hierbij slechts om een mogelijke beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer. Steunmaatregelen in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU moeten in beginsel worden gemeld bij de Europese Commissie, tenzij sprake is van een vrijstellingsmogelijkheid, zoals de Landbouwvrijstellingsverordening.

 Nadeelcompensatie: geen staatssteun

Bij gebiedsontwikkeling is nadeelcompensatie een belangrijke mogelijkheid om staatssteun uit te sluiten. Bij nadeelcompensatie gaat het om de vraag of schade die vergoed moet worden het rechtstreeks gevolg is van een rechtmatig overheidsoptreden. Nadeelcompensatie is bijvoorbeeld aan de orde als sprake is van een gedwongen bedrijfsverplaatsing als gevolg van een onteigeningsprocedure.

In een besluit van de Commissie over de bedrijfsverplaatsing van Akzo Nobel heeft de Commissie zich onder meer uitgesproken over de verhouding tussen nadeelcompensatie en staatssteun. De Commissie stelde dat een schadevergoeding doorgaans geen selectief voordeel voor de betrokken onderneming met zich mee brengt voor zover deze vergoeding louter dient ter compensatie van schade ten gevolge van een overheidsingrijpen. Hierbij dient de schadevergoeding het directe resultaat te zijn van dit overheidsingrijpen en de vergoeding moet worden bepaald op grond van een algemene schadevergoedingsregeling die rechtstreeks is gebaseerd op het door de rechter erkende grondwettelijke eigendomsrecht.

De provincie dient daarom allereerst te onderzoeken of in deze casus sprake is van een schadeloosstelling op basis van een wettelijke grondslag, zoals de Onteigeningswet of de Wet ruimtelijke ordening. In een enkel geval (en onder voorwaarden) vormt een schadevergoeding ook geen steunmaatregel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU zonder dat een wettelijke grondslag voorhanden is. Dit laat het besluit Automontagebedrijf Steenbergen zien. Enige voorzichtigheid is echter geboden, aangezien er ook een uitspraak is (van de nationale rechter) waaruit blijkt dat schadeloosstelling in bepaalde gevallen ook als onrechtmatige steun kan worden gezien. Meer informatie over nadeelcompensatie en staatssteun is beschreven in de ICER Handleiding nadeelcompensatie en staatssteun. Deze is te vinden op onze website.

Toch staatssteun, en dan?

Indien – ondanks bovengenoemde suggestie – niet kan worden voorkomen dat  in dit concrete praktijkgeval sprake is van staatssteun, dan dient door de provincie te worden onderzocht of gebruik kan worden gemaakt van een vrijstellingsverordening van de Europese Commissie. Steun die op basis van een vrijstellingsverordening wordt verleend, wordt geacht verenigbaar te zijn met de interne markt. Bij een geslaagd beroep op één van de vrijstellingsverordeningen van de Europese Commissie, hoeft een steunmaatregel niet vooraf ter goedkeuring bij de Europese Commissie te worden aangemeld. In plaats daarvan stelt de provincie de Europese Commissie op de hoogte van de steunmaatregel door middel van een kennisgeving.

  1. Landbouwvrijstellingsverordening en verplaatsing van een landbouwbedrijf in het algemeen belang

De Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) is gericht op primaire landbouwbedrijven die landbouwproducten produceren. In de LVV is een specifieke vrijstelling opgenomen (artikel 16 LVV) voor de verplaatsing van agrarische bedrijven in het algemeen belang (lid 2). Hierbij is een vergoeding van 100% van de werkelijk gemaakte kosten mogelijk, indien het gaat om de verplaatsing van activiteiten die dicht bij rurale woongebieden plaatsvinden en de verplaatsing het doel heeft de levenskwaliteit of de milieuprestatie van deze woongebieden te verbeteren (lid 5).

Artikel 16 LVV stelt dat het algemeen belang dat wordt aangevoerd om de steunverlening te rechtvaardigen in de desbetreffende bepalingen van de betrokken lidstaat wordt gespecificeerd (lid 2). Indien de provincie dus gebruik maakt van dit artikel 16 uit de LVV, zal de algemeen belanggrond voor de steun voor de agrarische bedrijfsverplaatsing dus moeten blijken uit de onderliggende regeling of het besluit van de provincie. Evenwel is een steunintensiteit van 100% altijd mogelijk zolang de verplaatsing enkel bestaat uit het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen (lid 3).

Mogelijke fiscale steuncomponent

Bij provinciale steunregelingen voor agrarische bedrijfsverplaatsing speelt mogelijk ook de fiscale steuncomponent een rol. De verplaatsing van een bedrijf kan onder omstandigheden voor de fiscaliteit een staking van de onderneming inhouden. Het belastingvoordeel dat ontstaat indien een fiscale eindafrekening achterwege blijft, vormt staatssteun. Zowel de provinciale subsidie als de fiscale component moeten in dat geval worden kennisgegeven op basis van de LVV. Meer informatie hierover is tevens te vinden op onze website.

  1. Landbouw de-minimisverordening

Naast een beroep op de LVV zou het voor de provincie ook mogelijk kunnen zijn om te toetsen in hoeverre gebruik gemaakt zou kunnen worden van de de-minimisvrijstellingsverordening voor landbouw. Op basis van deze verordening mag € 15.000 per drie belastingjaren aan steun worden verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten.

De-minimissteun vormt geen staatssteun, omdat wordt geacht dat deze steun te gering is om een effect te hebben op het interstatelijk effect (de steun heeft geen grensoverschrijdend effect). De Europese Commissie overweegt overigens momenteel om de de-minimisdrempel van € 15.000 te verhogen naar € 25.000.

Meer informatie

Is nadeelcompensatie voor ons waterschap de beste manier om staatssteun te voorkomen?, praktijkvraag Europa decentraal
Nadeelcompensatie en staatssteun, Europa decentraal
Nadeelcompensatie jurisprudentie, Europa decentraal
ICER Handleiding nadeelcompensatie en staatssteun, Interdepartementale Commissie Europees recht
Consultatie landbouw de-minmisverordening: mogelijke verhoging van het de-minimisplafond, nieuwsbericht Europa decentraal
Koopovereenkomst in Harlingen met terugwerkende kracht staatssteun, nieuwsbericht Europa decentraal
Besluit Steenbergen, Europese Commissie
Besluit Akzo Nobel, Europese Commissie

X