Europees recht en beleid

Laatste update: 29 augustus 2022

Contact:


De Richtlijn betreffende infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Alternative Fuel Infrastructure Directive, AFID, Richtlijn 2014/94/EU), verplicht lidstaten om beleid te maken voor het aanleggen van infrastructuur voor elektrische auto’s in stedelijke gebieden. De Europese Commissie wil stimuleren dat ook in landelijke gebieden voldoende openbare oplaadpunten en tankstations worden aangelegd. Dit is aangekondigd in het kader van de Green Deal, het Europese plan om de EU in 2050 klimaatneutraal te maken. Het gaat speciaal om de aanleg van laadpalen in dunbevolkte gebieden en het faciliteren van reizen over lange afstanden.

In de Richtlijn is vastgelegd dat lidstaten moeten zorgen voor een passend aantal publiek toegankelijke oplaadpunten. De lidstaten hadden tot 31 december 2020 de tijd om deze te plaatsen. Het aantal oplaadpunten per lidstaat moet worden bepaald aan de hand van een aantal factoren, vastgelegd in artikel 4:

1: Het aantal elektrische voertuigen dat uiterlijk eind 2020 zal zijn ingeschreven volgens ramingen in de nationale beleidskaders, en;

2: Aanbevelingen en beste praktijken van de Europese Commissie.

Uit overweging 23 van de Richtlijn alternatieve brandstoffen blijkt dat het voldoende is als er gemiddeld minstens één oplaadpunt per tien ingeschreven elektrische voertuigen in elke lidstaat is. Hierbij moet rekening gehouden worden met het type voertuig, de oplaadtechnologie en de beschikbare particuliere oplaadpunten. In de Richtlijn staat ook dat lidstaten maatregelen moeten nemen om de ingebruikname van niet-publiek toegankelijke oplaadpunten aan te moedigen en te steunen. Laadpalen van elektrische voertuigen moeten standaardtypes stekkers bevatten, waarmee de laadkabel van een elektrische wagen aangesloten kan worden. Oplaadpunten die gebruik maken van wisselstroom moeten minstens een verbindingspunt bevatten van het type 2. Als laadpalen gebruik maken van gelijkstroom, dan moeten ze minstens uitgerust zijn met een verbindingspunt van type combo 2.

De Richtlijn eist verder in artikel 5 en 6 dat lidstaten die waterstoftankpunten onderdeel maken van hun nationaal beleidskader, tegen eind 2025 voldoende van deze punten beschikbaar hebben om waterstof-aangedreven vervoer mogelijk te maken. Ook eist de Richtlijn van alle lidstaten dat er voldoende tankpunten voor vloeibaar gas (LNG) beschikbaar zijn om schepen die aangedreven worden door vloeibaar gas door het TEN-T kernnetwerk te laten varen. Dit moet behaald zijn in 2025 voor wat betreft tankpunten aan zeehavens en in 2030 met betrekking tot tankpunten voor de binnenvaart.

Implementatie in Nederland

In Nederland is de Europese Alternatieve Brandstoffen Richtlijn via het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen uit 2017 ingevoerd. Hierin is onder andere het beleidskader infrastructuur voor alternatieve brandstoffen aangekondigd. Daarin staat dat Nederland streefde naar ruim 25.000 publiek toegankelijke laadpunten per 2020. Hierin richtte men zich op landsdekkende laadinfrastructuur en werd de focus op de gebieden in en rond Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en de regio Brabantstad gelegd. Het doel voor 2020 werd gehaald en in juni 2022 stond het aantal publieke laadplaatsen op iets meer dan 96.000, waarvan meer dan 3000 snellaadpunten. De meeste laadpunten bevinden zich in de Randstad.

Evaluatie richtlijn en nieuwe verordening

Uit een evaluatie van de Commissie bleek echter dat er geen uitgebreid en compleet netwerk bestaat, mede doordat de richtlijn onvoldoende doelmatig is. De Richtlijn biedt namelijk geen bindende methodologie voor de lidstaten om doelen te berekenen en maatregelen te treffen. Dit resulteert in grote verschillen tussen de lidstaten wat betreft doelstellingen, ambities en ondersteunend beleid. De Europese Commissie heeft daarom, als onderdeel van haar ‘Fit for 55’-pakket een voorstel voor een Verordening aangekondigd die de bestaande Richtlijn zal vervangen. Met deze Verordening wordt een gemeenschappelijk Europees wetgevend kader geschetst.

De doelen van de nieuwe Verordening zijn:

  • Zorgen voor een minimale infrastructuur zodat het met betrekking tot alle vervoerswijzen en in alle lidstaten mogelijk wordt om voertuigen op alternatieve brandstof te laten rijden;
  • Zorgen voor de volledige interoperabiliteit van de infrastructuur;
  • Zorgen voor volledige gebruikersinformatie en betalingsmogelijkheden.

De nieuwe Verordening zal vaste doelen stellen voor de vergroening van het wagenpark en de laadcapaciteit. Zo moet op grond van artikel 3 daarvan voor elke elektrische auto één kilowatt aan laadcapaciteit beschikbaar zijn in het netwerk van openbare laadpunten. Per hybride auto is dit 0.66 kilowatt. Ook worden er maximumafstanden tussen laadmogelijkheden voor zowel lichte (auto’s en bestelbussen) als zware elektrische voertuigen (vrachtwagens en dergelijke) vastgelegd op het TEN-T kernnetwerk en het uitgebreide netwerk. Zo moeten openbare laadpunten voor lichte elektrische voertuigen maximaal zestig kilometer uit elkaar liggen. In stedelijke knooppunten moeten ook laadmogelijkheden voor zware elektrische voertuigen bestaan. Ook bevat de Verordening eisen wat betreft de gebruiksvriendelijkheid van laadinfrastructuur.

Verder stelt de nieuwe Verordening in artikel 6 de eis dat waterstoflaadinfrastructuur maximaal 150 kilometer uit elkaar ligt op het TEN-T kernnetwerk en het uitgebreide netwerk. Ook moet elk stedelijk knooppunt een laadmogelijkheid bevatten. Op het TEN-T kernnetwerk en het uitgebreide netwerk moet ook een minimale dekking van publiek toegankelijke tankpunten voor vloeibaar gas aanwezig zijn voor 2025, respectievelijk voor wegvervoer (artikel 8) en voor zeeschepen (artikel 11). Artikel 9 vereist dat lidstaten voldoende elektriciteitsvoorzieningen hebben voor zeeschepen in havens op het uitgebreide en kernnetwerk van TEN-T voor 2030. Artikel 12 vereist dat elk TEN-T vliegveld vanaf 2025 op alle ‘gates’ voor commercieel luchtvervoer voldoende elektriciteitsvoorziening voor vliegtuigen heeft. Lidstaten moeten op grond van artikel 13 een nationaal beleidskader voor de ontwikkeling van de markt voor alternatieve brandstoffen opstellen en voor 2024 naar de Commissie sturen.

Decentrale relevantie: rol van lokale en regionale autoriteiten

De Verordening bouwt in grote mate voort op de Richtlijn, maar de Commissie voorziet ook in een aantal aanpassingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de bepalingen voor de nationale beleidskaders van de lidstaten. De Verordening bevat onder andere nieuwe bepalingen over het formuleren van een strategie samen met belangrijke sectorale, lokale en regionale belanghebbenden, voor de gezamenlijke uitrol van alternatieve brandstoffen ten behoeve van andere vervoersmodaliteiten. Daarnaast is in de Verordening opgenomen dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun nationale beleidskaders, waar nodig, de belangen van regionale en lokale autoriteiten in acht nemen.