Moet de gemeente rekening houden met de staatssteunregels bij huurvermindering?

april 2021

Onze gemeente verhuurt een pand, dat in eigendom is van de gemeente, aan een culturele instelling. De gemeente wil deze culturele instelling tijdens de coronacrisis ondersteunen door de huurprijs te verminderen. Is er dan mogelijk sprake van staatssteun? Zo ja, hoe kunnen we de huurvermindering staatssteunproof inrichten?

Antwoord in het kort

De huurvermindering moet mogelijk worden aangemerkt als staatssteun. In dat geval kan de gemeente de staatssteun op basis van de de-minimisverordening of Algemene Groepsvrijstellingsverordening staatssteunproof verstrekken. Als er geen sprake is van staatssteun of als de de-minimisverordening wordt toegepast, moet rekening worden gehouden met de Wet Markt en Overheid.

Europese staatssteunregels

Er is sprake van staatssteun als een onderneming een economisch voordeel in de vorm van staatsmiddelen krijgt van de gemeente. Of dat het geval is, moet de gemeente zelf beoordelen aan de hand van de vijf staatssteuncriteria van artikel 107 VWEU. In het onderhavige geval is het belangrijk om over de staatssteuncriteria betreffende de overdracht van staatsmiddelen en het economisch voordeel het volgende te weten.

Er hoeft geen positieve overdracht van staatsmiddelen plaats te vinden om te kunnen spreken van staatssteun. Het is voldoende dat de gemeente inkomsten derft. Het verhuren van een pand door de gemeente tegen een prijs onder de marktprijs, impliceert volgens de Europese Commissie dat de gemeente inkomsten derft en daarmee een economisch voordeel verleent. Dit kunt u teruglezen in paragraaf 3.2.1 van de Mededeling betreffende het begrip “staatssteun” van de Europese Commissie.

Er is geen sprake van een economisch voordeel wanneer de decentrale overheid handelt als een particuliere investeerder. Of dit het geval is kan worden beoordeeld aan de hand van de Market Economy Operator (MEO) test. Met een MEO-test kan worden nagegaan of een private investeerder, opererend in normale marktomstandigheden, in een vergelijkbare situatie tot eenzelfde investering zou overgaan. De Europese Commissie beschrijft de MEO-test in paragraaf 4.2.3 van de Mededeling betreffende het begrip “staatssteun”.

Staatssteun, en dan?

Als de gemeente tot de conclusie komt dat de subsidieregeling aan alle staatssteuncriteria voldoet, is er sprake van staatssteun. De basisregel is dat een steunmaatregel dan door de gemeente gemeld moet worden bij de Europese Commissie, tenzij een van de vrijstellingsverordeningen van de Europese Commissie van toepassing is. In dat geval hoeft de steunmaatregel niet gemeld te worden, maar gelden wel nadere verplichtingen over de uitvoering, transparantie en verslaglegging van de steun. De gemeente kan in het onderhavige geval mogelijk gebruik maken van de de-minimisverordening of de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

De de-minimisverordening

Afhankelijk van de hoogte van het steunbedrag, kan de gemeente gebruik maken van de de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 1407/2013). Op grond van de de-minimisverordening kunnen ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000 aan steun ontvangen, zonder dat dit moet worden gemeld bij de Europese Commissie. Aan de hand van een door een onderneming ingevulde de-minimisverklaring dient de gemeente te beoordelen hoeveel de-minimisruimte deze onderneming nog heeft. De gemeente moet bij verlening van de-minimissteun rekening houden met alle voorwaarden die in de verordening worden genoemd. Als de gemeente de-minimissteun verleent, moet rekening worden gehouden met de Wet Markt en Overheid.

De Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV)

De gemeente kan tevens onderzoeken of de steunmaatregel onder de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, Verordening (EU) nr. 651/2014) valt.  Deze verordening bepaalt dat steunmaatregelen die bijdragen aan bepaalde beleidsdoeleinden (bijvoorbeeld milieubescherming en onderzoek, ontwikkeling en innovatie) niet gemeld hoeven te worden volgens de officiële meldingsprocedure. In dat geval volstaat een lichtere kennisgevingsprocedure binnen 20 werkdagen, nadat de steun is verleend aan de begunstigde. Mocht de gemeente tot de conclusie komen dat een kennisgevingsprocedure moet worden gestart, dan kan contact worden opgenomen met het Coördinatiepunt Staatssteun van Kenniscentrum Europa decentraal.

Om gebruik te kunnen maken van de AGVV moet aan de algemene voorwaarden uit de artikelen 1 tot en met 12 van deze verordening worden voldaan. Daarnaast moet de staatssteun voldoen aan de specifieke voorwaarden van een of meerdere steuncategorieën, zoals de maximale steunintensiteit en de kosten die in aanmerking mogen komen voor steun. In het onderhavige geval kan de gemeente de huurvermindering mogelijk staatssteunproof verlenen op basis van artikel 53 AGVV. Dit artikel beschrijft de voorwaarden op basis waarvan steun, voor cultuur en instandhouding van het erfgoed, is vrijgesteld. Artikel 53 AGVV biedt de mogelijkheid om afhankelijk van de hoogte van steunbedrag exploitatiesteun te verlenen voor 80 tot 100% van de in aanmerking komende kosten voor de huur van vastgoed en culturele locaties. Een onderneming mag niet meer dan 50 miljoen euro per jaar aan exploitatiesteun ontvangen op grond van dit artikel.

Wet Markt & Overheid (Wet M&O)

De Wet M&O is van toepassing wanneer de gemeente zelf, of via haar overheidsbedrijven, economische activiteiten verricht en daarmee in concurrentie treedt met ondernemingen op de markt. Deze wet moet de gemeente toepassen als er geen sprake is van staatssteun of als de de-minimisverordening wordt toegepast. Een ‘economische activiteit’ wordt gedefinieerd als het aanbieden van goederen en diensten op een markt. Aan de hand van de omstandigheden van ieder specifiek geval kan worden beoordeeld of een activiteit economisch van aard is. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) noemt het verhuren van vastgoed als één van de voorbeelden van economische activiteiten van decentrale overheden (zie: lijst met voorbeelden).

De Wet M&O omschrijft vier gedragsregels waaraan iedere overheidsorganisatie zich moet houden bij de uitvoering van een economische activiteit. In hoofdstuk 4b van de Mededingingswet kunt u de gedragsregels terugvinden. Met name de eerste gedragsregel is in het onderhavige geval van belang. Deze gedragsregel schrijft voor dat een overheidsorganisatie bij het uitvoeren van een economische activiteit de integrale kosten moet doorberekenen. Uiteraard mag een overheidsorganisatie altijd méér dan de integrale kosten berekenen.

Door

Demi Hoefnagels, Kenniscentrum Europa decentraal

Meer informatie

Factsheet Gemeentelijke Steun voor Culturele Instellingen, Kenniscentrum Europa decentraal
Handreiking staatssteun, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Handreiking AGVV, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Handreiking Wet Markt en Overheid, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat