Europees recht en beleid

Laatste update: 26 oktober 2026

Contact:


De uitrol, ontwikkeling en integratie van energie-infrastructuur tussen de lidstaten is essentieel om de groene transitie te realiseren, de energievoorzieningszekerheid te verbeteren en energieprijzen te stabiliseren. De EU wil één interne energiemarkt creëren mede door het aanleggen van trans-Europese energienetwerken (TEN-E). De achterliggende gedachte is dat een geïntegreerde en concurrerende interne energiemarkt leidt tot betere energieleveringszekerheid en lagere energieprijzen voor consumenten. Om deze interne energiemarkt te realiseren wil de EU nationale handelsbelemmeringen en knelpunten in grensoverschrijdende infrastructuur verwijderen. Daarnaast is energie-infrastructuur essentieel voor het realiseren van een goed functionerende interstatelijke energiemarkt die vraag naar en aanbod van energie in de lidstaten bij elkaar brengt.  

Deze onderwerppagina bespreekt trans-Europese energienetwerken (TEN-E) en de rol van decentrale overheden bij het realiseren van de TEN-E. Afhankelijk van het soort energieproject hebben gemeenten en provincies de bevoegdheid om ruimtelijke keuzes te maken met betrekking tot de aanleg en beheer van energie-infrastructuur. Zij zijn als bevoegde overheid verantwoordelijk voor het ruimtelijke planproces. Dat betekent dat zij eerst moeten controleren of de vereiste omgevingsvergunningen kunnen worden afgegeven vóórdat de infrastructuur kan worden aangelegd. 

Het is belangrijk om de TEN-E niet te verwarren met de TEN-T (afgekort voor trans-Europese vervoersnetwerken). De TEN-E gaat over energienetwerken, terwijl de TEN-T gaat over vervoersnetwerken en mobiliteit.

Verordening Trans-Europese energienetwerken 

De TEN-E-Verordening (2022/869) legt richtsnoeren vast voor de tijdige ontwikkeling en interoperabiliteit van aangewezen prioritaire corridors en gebieden voor trans-Europese energie-infrastructuur. De rechtsgrondslag van de TEN-E-Verordening is artikel 172 VWEU. Artikel 172 VWEU verwijst naar de richtsnoeren en maatregelen in artikel 171 VWEU om trans-Europese netwerken te ontwikkelen en de interoperabiliteit tussen deze netwerken te verbeteren. Om een interne energiemarkt te ontwikkelen is het noodzakelijk om energienetwerken tussen de lidstaten met elkaar te verbinden. Dit vereist het aanleggen van de nodige infrastructuur op locaties die speciale prioriteit krijgen om nationale handelsbelemmeringen en knelpunten in grensoverschrijdende infrastructuur te verwijderen. Door netwerkverbindingen kunnen lidstaten solidair zijn met elkaar in tijden van nood, waardoor de energieleveringszekerheid wordt gewaarborgd.    

Prioritaire corridors en prioritaire thematische gebieden 

De EU wil tussen de lidstaten elf prioritaire corridors aanleggen voor elektriciteitsconnecties, offshore-elektriciteitsnetwerken en waterstof- en elektrolyse-installaties waarmee elektrische energie wordt omgezet in gas (bijlage I). Daarnaast stelt de Verordening drie prioritaire thematische gebieden vast die betrekking hebben op alle lidstaten, namelijk de uitrol van slimme elektriciteitsnetten, een grensoverschrijdend koolstofdioxidenetwerk en slimme gasnetten (bijlage I). Slimme elektriciteits- en gasnetten hebben als doel de energiemarkt efficiënter te laten werken. Dit doen ze door de communicatie tussen de consument en de leverancier te verbeteren. De leverancier krijgt meer en sneller informatie over het energieverbruik van de consument. Dit zorgt ervoor dat verschillende energiebronnen met inbegrip van hernieuwbare energiebronnen die van nature fluctueren beter op elkaar worden afgestemd. Zo dragen slimme energienetwerken bij aan de integratie van hernieuwbare energie in de markt en het beperken van klimaatverandering. 

Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang 

Voor elke prioritaire corridor of elk prioritair gebied wordt volgens artikel 3 lid 3 van de TEN-E-Verordening een regionale lijst van projecten vastgesteld door een regionale groep bestaande uit de Europese Commissie en de lidstaten die betrokken zijn bij die corridor of dat gebied. Artikel 4 leden 1 en 3 legt de beoordelingscriteria vast voor projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s), zoals de vereiste dat een project noodzakelijk moet zijn voor de ontwikkeling van een prioritaire corridor of een prioritair gebied. Verder gaat het bij PGB’s uitsluitend om projecten binnen de EU waarbij minimaal twee EU-lidstaten betrokken zijn. Een voorbeeld van een PGB in Nederland is de Delta-Rijncorridor. Dit is een grensoverschrijdend initiatief om ondergrondse buisleidingen voor waterstof en CO2 aan te leggen tussen Rotterdam en de Duitse grens bij Venlo, via de industrie in Moerdijk.  PGB’s komen op een ‘Unielijst’ te staan samen met projecten van wederzijds belang (PWB’s). In tegenstelling tot PGB’s hebben PWB’s juist een externe dimensie, omdat PWB’s worden ontwikkeld door de EU-lidstaten en derde landen (niet-EU-lidstaten). 

Met betrekking tot de uitvoering en monitoring van PGB’s en PWB’s moeten projectontwikkelaars, zoals een transmissiesysteembeheerder of distributiesysteembeheerder, volgens artikel 5 lid 1 een uitvoeringsplan opstellen. Dit plan omvat een tijdschema voor haalbaarheids- en ontwerpstudies, de goedkeuring door de nationale regulerende instantie, de bouw en inbedrijfstelling en het vergunningverleningsproces. Daarnaast moeten projectontwikkelaars voor PGB’s en PWB’s voor energie-infrastructuurcategorieën onder bijlage II een jaarverslag indienen bij de nationale bevoegde instantie over de geboekte vooruitgang, vertragingen ten opzichte van het uitvoeringsplan en herzieningen van het uitvoeringsplan om vertragingen in te halen. Via het PCI-PMI Transparency platform houdt de Europese Commissie informatie bij met betrekking tot alle PGB’s en PWB’s, waaronder de bijbehorende geografische locaties, projectstatus en uitvoeringsplannen.

Speciale prioriteitsstatus en vergunningverleningsprocessen 

De projecten op de Unielijst krijgen volgens artikel 7 een speciale ‘prioriteitsstatus’. Dit betekent dat de projectontwikkelaars en alle betrokken instanties ervoor moeten zorgen dat deze projecten zo snel mogelijk worden behandeld en dat zulke projecten de hoogst mogelijke nationale status krijgen bij de ruimtelijke ordening en vergunningverleningsprocessen. Bovendien moeten zulke projecten als urgent worden behandeld in geschillenbeslechting, beroepsprocedures en bezwaarschriften.  

Artikel 8 lid 1 verplicht de lidstaten om uiterlijk 23 juni 2022 een nationale bevoegde instantie aan te wijzen die verantwoordelijk is voor het vergemakkelijken en coördineren van het vergunningverleningsproces voor projecten op de Unielijst. PGB’s worden in Nederland onder artikel 6.1 lid 1 onder e van de Energiewet aangemerkt als ‘werken met een nationaal belang’. De staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei is, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting van Ruimtelijke Ordening (VRO), de bevoegde nationale instantie voor de besluitvorming voor PGB’s. Vergunningen voor PGB’s worden verstrekt door middel van een projectbesluit onder de Omgevingswet. Het verlenen van een vergunning voor PGB’s kan ook worden gedelegeerd aan een provincie of gemeente als dit het PGB versnelt of andere voordelen oplevert.  

Na de verlening van een vergunning moeten gemeenten, provincies en waterschappen ervoor zorgen dat het PGB past binnen de decentrale regelgeving, zoals regels over het reguleren van activiteiten in de fysieke leefomgeving door de gemeente in het omgevingsplan, de provincie in de omgevingsverordening en het waterschap in de waterschapsverordening.  

De nationale bevoegde instantie maakt volgens artikel 8 lid 3 van de TEN-E-Verordening haar raambesluit bekend waarin staat of een projectontwikkelaar een vergunning voor de bouw van de energie-infrastructuur voor een project op de Unielijst krijgt. Artikel 10 lid 1 legt de duur en het verloop van het vergunningverleningsproces vast: Het vergunningverleningsproces bestaat uit de procedure voorafgaand aan de aanvraag en de wettelijk voorgeschreven vergunningverleningsprocedure die loopt vanaf de start van de aanvaarding van de aanvraag tot aan de vaststelling van het raambesluit. De procedure voorafgaand aan de aanvraag moet binnen 24 maanden worden afgehandeld. De wettelijk voorgeschreven vergunningverleningsprocedure mag niet langer dan 18 maanden duren. Artikel 10 lid 2 voegt daaraan toe dat de nationale bevoegde instantie ervoor moet zorgen dat deze twee procedures gezamenlijk niet meer dan 42 maanden in beslag nemen. 

Financiering door decentrale overheden 

PGB’s die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën in bijlage II van de TEN-E-Verordening komen volgens artikel 18 lid 1 in aanmerking voor financiering vanuit de Connecting Europe Facility. Decentrale overheden kunnen dus cofinanciering verstrekken aan PGB’s voor energie-infrastructuur, zoals de uitrol van grensoverschrijdende bovengrondse hoogspanningstransmissielijnen voor elektriciteit of  
energieopslagfaciliteiten voor de permanente of tijdelijke opslag van energie in boven- of ondergrondse infrastructuur of geologische locaties.  

Meer informatie over de financiering van energie-infrastructuurprojecten die vallen onder de TEN-E-Verordening vindt u op onze fondsenwijzerpagina over de Connecting Europe Facility. 

Ontwikkelingen in Europees energiebeleid in relatie tot de TEN-E-Verordening  

De EU wil met het Actieplan voor betaalbare energie (februari 2025) als onderdeel van de Clean Industrial Deal de hoge energiekosten in Europa aanpakken die zowel burgers als bedrijven zwaar treffen. Daartoe zet het actieplan in op de versnelde uitrol van infrastructuur voor schone energie en daarmee elektrificatie, het voltooien van de interne energiemarkt met fysieke interconnecties en het zorgen voor efficiënter energiegebruik en minder afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen. Het actieplan is de voorbode van wetsvoorstellen die het bestaande EU-energiewetgevingskader moeten aanvullen en wijzigen, zoals de TEN-E-Verordening en de Richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn 2018/2001, ook wel de ‘RED-III’). Informatie over de RED-III, hernieuwbare energie en de bijbehorende infrastructuur vindt u op onze pagina over hernieuwbare energie. 

Tot slot heeft de Europese Commissie het European Grids Package (december 2025) gepubliceerd met voorstellen voor wijzigingen van de TEN-E-Verordening en RED-III om netcongestie, vertragingen bij vergunningsprocedures, gefragmenteerde planning, belemmeringen voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen en lacunes in de infrastructuurbeveiliging op te lossen.  

Decentrale relevantie 

Decentrale overheden spelen een belangrijke rol in de uitrol van energie-infrastructuur. Afhankelijk van het soort energieproject vormt de gemeente, de provincie of het Rijk het bevoegd gezag ten aanzien van de ruimtelijke keuzes die worden gemaakt met betrekking tot de aanleg en beheer van energie-infrastructuur, zoals netverbindingen en elektriciteitsstations. Daarbij is de bevoegde overheid verantwoordelijk voor het ruimtelijke planproces: vóórdat infrastructuur kan worden aangelegd moeten overheden controleren of de hiervoor vereiste milieu- en omgevingsvergunningen kunnen worden afgegeven.  

Sinds 1 januari 2026 is de nieuwe Energiewet van kracht die de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vervangt. De Energiewet en Omgevingswet hangen nauw samen op het gebied van energie-infrastructuur en ruimtelijke ordening. De Energiewet regelt de verplichtingen van de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet en van de regionale netbeheerders die de energie van het hoofdnet naar de eindverbruikers transporteren. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat netbeheerders hun verplichtingen uit de Energiewet kunnen nakomen voor zover daarvoor ruimtelijke besluitvorming is vereist, bijvoorbeeld de aanleg of het onderhoud van de netten. Decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit de Omgevingswet. Zo moeten gemeenten en provincies ervoor zorgen dat energieprojecten passen in hun omgevingsplannen. Bovendien kunnen provincies volgens artikel 6.2 van de Energiewet projectbesluiten vaststellen zoals bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet voor de aanleg of uitbreiding van windparken met een capaciteit tussen de 15 en 100 megawatt en productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met een capaciteit tussen de 50 en 100 megawatt. 

Verder kunnen decentrale overheden vanuit de Connecting Europe Facility cofinanciering bieden aan energieprojecten die vallen onder de TEN-E-Verordening. Met betrekking tot energieprojecten in het algemeen vervullen gemeenten en provincies een sleutelpositie in het verlenen van vergunningen en het investeren in de ontwikkeling, modernisering en uitbreiding van de infrastructuur voor de productie, levering en opslag van energie in overeenstemming met de staatssteunregels. Deze infrastructuur kan op haar beurt weer bijdragen aan hogere energievoorzieningszekerheid en duurzamere koolstofarme energievoorziening.  

De provincies, gemeenten, waterschappen, netbeheerders, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers werken in dertig RES-regio’s ondersteund door het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie samen aan regionale energiestrategieën (RES’en). Regionale energiestrategieën beschrijven hoe en waar hernieuwbare energie en duurzame elektriciteit kunnen worden opgewekt op land. In een RES wordt bijvoorbeeld uitgewerkt welke aanpassingen op het gebied van ruimtelijke ordening, planning en besluitvorming nodig zijn voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur.