Het Europese beleid richt zich op het waarborgen van de kwaliteit van het grondwater. Hiervoor moet verontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen en tot een minimum worden beperkt.
In Nederland zijn de provincies verantwoordelijk voor de kwaliteit van grondwater. Zij zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het Europese grondwaterbeleid. Waterschappen en gemeenten zijn ook actief betrokken bij het beheer.
Europees beleid voor grondwater
De Europese regelgeving voor grondwater is hoofdzakelijk vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water (KRW; Richtlijn 2000/60/EG) en de dochterrichtlijn Grondwater (GWR; Richtlijn 2006/118/EG). Het Europese beleid is erop gericht de kwaliteit en kwantiteit van het grondwater te waarborgen en te verbeteren.
Daarnaast zijn ook andere Europese richtlijnen direct of indirect gekoppeld aan grondwaterbescherming, zoals de Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG) of de Richtlijn Stedelijk afvalwater (Richtlijn 91/271/EEG). Ook afvalbeleid, pesticidenbeleid en natuurbeleid zijn nauw verbonden met de bescherming van grondwater.
Kaderrichtlijn Water (KRW)
De KRW definieert grondwater als “al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat.” De KRW stelt eisen aan de kwantiteit en de kwaliteit van grondwater. Voor de kwantiteit moeten de grondwatervoorraad en het grondwaterpeil worden gewaarborgd. Voor de kwaliteit moet vermeden worden dat verontreinigende stoffen in het grondwater terecht komen. Artikel 4 lid 1 aanhef punt b verplicht de lidstaten in het kader van grondwater om:
- De nodige maatregelen te nemen om te voorkomen of te beperken dat verontreinigende stoffen in het grondwater terechtkomen en te voorkomen dat de kwaliteit van alle grondwaterlichamen achteruitgaat;
- Alle grondwaterlichamen te beschermen, te verbeteren en te herstellenen te zorgen voor een balans tussen het onttrekken en aanvullen van grondwater; en
- De nodige maatregelen te nemen om te elke significante en aanhoudende stijgende concentratie van een verontreinigende stof te keren, zodat de grondwaterverontreiniging vermindert.
In de Bijlage bij de KRW wordt de definitie van kwantitatieve en chemische toestand van het grondwater verder uitgewerkt. Ook bevat de KRW monitoringseisen onder artikel 8. De criteria voor de goede chemische toestand worden echter verder uitgewerkt in de Grondwaterrichtlijn.
Om een goede toestand van het grondwater te realiseren is grondwater opgenomen in het beheer van de stroomgebieden. Meer informatie over stroomgebiedsbeheer en de KRW vindt u op onze hoofdpagina waterbeheer.
Grondwaterrichtlijn
De GWR geeft verdere invulling aan de eisen uit de KRW en heeft ook als doel de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging. De GWR wordt daarom ook wel een dochterrichtlijn van de Kaderrichtlijn Water genoemd. De GRW bevat specifieke criteria en een procedure voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater onder artikelen 3 en 4. Artikel 5 verplicht de lidstaten om significante en aanhoudende stijgende trends in de concentratie van verontreinigende stoffen vast te stellen en om te keren. Zo bevat de Grondwaterrichtlijn een drempelwaarde voor nitraten en voor werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen. Ook verplicht artikel 6 van de GWR de lidstaten om specifieke maatregelen treffen om verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen en te beperken. De lidstaten moeten deze specifieke maatregelen opnemen in hun maatregelenprogramma’s, zoals verplicht onder artikel 11 van de KRW. Meer informatie vindt u op de pagina’s meststoffen en stikstof en pesticiden.
Decentrale relevantie
In Nederland wordt het grondwaterbeheer in verschillende wetten geregeld. De Omgevingswet is de belangrijkste wet die de verplichtingen onder de GWR omzet in nationale wetgeving. Het grondwaterbeleid in Nederland is grotendeels gedecentraliseerd. Provincies, gemeenten en waterschappen zijn op basis van verschillende verantwoordelijkheden betrokken bij het beheer van het grondwater en het uitvoeren van maatregelen voor het waarborgen van de kwaliteit en kwantiteit ervan.
Onder artikel 2.18 lid 1 van de Omgevingswet zijn provincies verantwoordelijk voor de algemene kaders voor de kwaliteit van grondwater. De provincies dragen verantwoordelijkheid voor het realiseren van vereisten uit de KRW en de GWR. Zo moeten provincies grondwaterbeschermingsgebieden aanwijzen om ondergrondse drinkwaterbronnen te beschermen. Ook moeten provincies zorgen voor een goede kwantiteit en kwaliteit van het grondwater, bijvoorbeeld door het handhaven van de Europese nitraatnorm die voorschrijft dat een liter grondwater niet meer dan 50 milligram nitraat mag bevatten. Voor meer informatie, zie de pagina over meststoffen.
Het waterschap is volgens artikel 2.18 lid 2 van de Omgevingswet de waterbeheerder voor regionale wateren en is bevoegd gezag voor wateractiviteiten voor regionale wateren, bijvoorbeeld bemalingen – met uitzondering voor specifieke grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is.
Gemeenten hebben een grondwatertaak onder artikel 2.16 lid 1 onder a onder 2 van de Omgevingswet: zij moeten maatregelen treffen om de structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te voorkomen of te beperken wanneer deze maatregelen niet tot de taak van een waterschap, provincie of het Rijk behoort. Dit betekent dat een gemeente onder bepaalde voorwaarden verantwoordelijk kan worden gehouden om nadelige gevolgen van grondwaterstand te voorkomen.
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vormt een uitdaging voor het behalen van de Europese grondwaternormen. De uitvoering van het Europees beleid op het gebied van landbouw is daarom voor het grondwaterbeleid van belang. De landbouwsector moet zich houden aan verschillende regels uit het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en beleid inzake meststoffen en pesticiden om uitspoeling van nitraten en gewasbeschermingsmiddelen te beperken.
Tot slot moeten waterschappen, gemeenten en provincies bij het verlenen van vergunningen rekening houden met de nadelige gevolgen van een activiteit op de kwaliteit en kwantiteit van het grondwater. Een grondwaterlichaam kan bijvoorbeeld deel uitmaken van een beschermd natuurgebied zoals het Natura 2000-netwerk.