Energiegemeenschappen: energiecoöperaties en andere energiecollectieven
Burgers kunnen deelnemen aan de energietransitie door zelf energie te produceren. Bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen op hun dak. Burgers kunnen dit alleen doen of als collectief. Zo zijn er burgercoöperaties die samen windturbines bezitten om windenergie te produceren of die samen zonnepanelen op een appartementencomplex hebben om zonne-energie op te wekken.
Om burgerparticipatie in hernieuwbare energieprojecten te bevorderen heeft de EU het concept ‘energiegemeenschappen’ geïntroduceerd in de energiewetgeving. Via energiegemeenschappen kunnen burgers, lokale overheden en kleine ondernemingen samen energie opwekken, delen en verkopen.
Europees beleid over energiegemeenschappen
In het Pakket Schone Energie (Clean Energy Package) (mei 2019) heeft de Europese Commissie erkend dat burgers een rol kunnen spelen in de energietransitie. Voor die tijd werden in Europese energiewetgeving consumenten vooral gezien als passieve actoren in de energiemarkt die alleen energie afnamen. Er was bijvoorbeeld geen wet- en regelgeving die burgers en particuliere collectieven erkende als actieve deelnemers op de markt die zelf ook energie opwekken.
Daarnaast heeft de Commissie in het Europees actieplan voor betaalbare energie (februari 2025) dat deel is van de Clean Industrial Deal energiegemeenschappen voorgesteld als oplossing om te profiteren van betaalbare energie. De Commissie benadrukt het belang van investeringen in initiatieven van energiegemeenschappen om schone en hernieuwbare energie op lokaal niveau te kunnen produceren, verkopen en verbruiken. Daarom heeft de Commissie verschillende ondersteunende initiatieven gelanceerd. Zo ondersteunt de Citizen Energy Advisory Hub (CEAH) lokale gemeenschappen, burgers, gemeenten, NGO’s en MKB’s bij burgerparticipatie in de energietransitie. De CEAH doet dit door middel van technische ondersteuning bij burgerenergieprojecten, het verspreiden van beste praktijken in bestaande burgerenergieprojecten, het delen gebruiksvriendelijke informatie over relevante Europese en nationale wetgeving met betrekking tot burgerinitiatieven op het gebied van energie en het samenbrengen van burgers op Europees niveau via het Citizen Energy Network. Daarnaast is de Europese Faciliteit voor Energiegemeenschappen (ENERCOM-faciliteit) opgericht om minimaal 150 opstartende lokale energieprojecten financieel te ondersteunen.
Europese richtlijnen
De Richtlijn Hernieuwbare Energie (Richtlijn 2018/2001; ook wel de RED-III) en de Richtlijn Interne Markt voor Elektriciteit (Richtlijn 2019/944; ook wel de Elektriciteitsrichtlijn) erkennen verschillende nieuwe actoren op de energiemarkt, zoals individuele zelf-consumenten, collectieve zelf-consumenten en energiegemeenschappen. Kort gezegd bieden de RED-III en Elektriciteitsrichtlijn het recht aan actoren die hun eigen energie produceren om de zelf opgewekte elektriciteit te consumeren, op te slaan en te verkopen aan de markt. Burgers kunnen hierdoor op gelijke voet met andere marktdeelnemers deelnemen aan de energiemarkt.
Energiegemeenschappen
Energiegemeenschappen zijn een vorm van samenwerking tussen burgers, al dan niet met deelname van lokale overheden, zoals gemeenten en kleine ondernemingen. In de Europese energiewetgeving wordt er onderscheid gemaakt tussen twee verschillende vormen van energiegemeenschappen:
- Hernieuwbare-energiegemeenschappen, zoals gedefinieerd in artikel 2 punt 16 van de RED-III;
- Energiegemeenschappen van burgers, zoals gedefinieerd in artikel 2 punt 11 van de Elektriciteitsrichtlijn.
Overeenkomsten hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers
Er is een aantal overeenkomsten tussen de twee vormen van energiegemeenschappen. Zo zijn ze allebei:
- een juridische entiteit. Welke rechtsvorm energiegemeenschappen precies krijgen, wordt overgelaten aan de lidstaten. Burgerinitiatieven die niet de vorm van een rechtspersoon hebben kwalificeren dus niet als energiegemeenschap.
- gebaseerd op vrijwillige en open deelname. Hiermee onderscheiden energiegemeenschappen zich van bepaalde andere gemeenschapsvormen zoals bepaalde publiek-private partnerschappen.
- gericht op het bieden van milieu-, economische of sociale gemeenschapsvoordelen aan haar leden of aan de lokale gebieden waar ze actief zijn.
Verschillen tussen hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers
Er zijn ook verschillen tussen de twee energiegemeenschappen. Het meest in het oog springende verschil is dat hernieuwbare-energiegemeenschappen zich specifiek richten op het opwekken, gebruiken en verhandelen van hernieuwbare energie. Daarentegen hoeven energiegemeenschappen van burgers niet uitsluitend gericht te zijn op hernieuwbare energie.
Daarnaast is het zogenaamde ‘nabijheidsprincipe’ voor hernieuwbare-energiegemeenschappen van belang. Zij moeten worden bestuurd door aandeelhouders of leden die zich in de buurt van het hernieuwbare energieproject bevinden. Het concept ‘nabijheid’ moet daarbij door lidstaten zelf nader worden gedefinieerd. Het nabijheidsprincipe geldt dus niet voor energiegemeenschappen van burgers.
Verder is er een verschil in het faciliterend kader van energiegemeenschappen van burgers en dat van hernieuwbare-energiegemeenschappen. Lidstaten moeten onder artikel 16 lid 3 van de Elektriciteitsrichtlijn een gelijk speelveld garanderen voor energiegemeenschappen van burgers, zodat deze kunnen deelnemen aan de elektriciteitsmarkt.
Voor hernieuwbare-energiegemeenschappen gaat het faciliterend kader een stap verder. De ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen moet volgens artikel 22 lid 4 van de RED-III specifiek worden bevorderd. Zo moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er instrumenten zijn om de toegang tot financiering en informatie voor hernieuwbare energiegemeenschappen te vergemakkelijken. Ook moeten lidstaten onder artikel 22 lid 7 van de RED-III rekening houden met hernieuwbare-energiegemeenschappen bij het ontwerpen van hun nationale steunregelingen voor hernieuwbare energie. Tot slot introduceert de RED-III onder artikel 15 bis lid 3 de nieuwe verplichting voor de lidstaten om passende maatregelen, onder meer met betrekking tot hernieuwbare-energiegemeenschappen, in hun nationale regelgeving, bouwschriften en, in voorkomend geval, steunregelingen op te stellen om het aandeel elektriciteit uit (lokale) hernieuwbare bronnen te vergroten.
Afhankelijk van de omvang kunnen projecten van de energiegemeenschappen worden onderworpen aan een milieueffectrapportage (MER). Meer informatie hierover leest u op onze pagina Milieueffectrapportage.
Nationaal beleid energiegemeenschappen
In het Nederlandse Klimaatakkoord staat de doelstelling dat in 2030 minimaal 35 terrawattuur (TWh) moet worden opgewekt met zonne- en windenergie op land. Hiermee kunnen meer dan 11,5 miljoen huishoudens van elektriciteit worden voorzien. Hierbij is afgesproken dat burgers en kleine plaatselijke bedrijven voor minstens de helft moeten kunnen profiteren van een lokaal duurzaam energieproject.
Nationale implementatie energiegemeenschappen
De Elektriciteitsrichtlijn en RED-III laten vrij veel ruimte voor nadere invulling door de lidstaten. Het is bijvoorbeeld aan de lidstaten om te bepalen wat voor soort rechtspersoonlijkheid energiegemeenschappen kunnen hebben. Hierbij moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen energiegemeenschappen en andere vormen van burgerparticipatie in de energiemarkt. Ook moeten lidstaten vaststellen wat nabijheid voor hernieuwbare energiegemeenschappen onder de RED-III betekent. Verder kunnen lidstaten aanvullende rechten en plichten toekennen aan hernieuwbare energiegemeenschappen. Artikel 22 lid 6 van de RED-III biedt de lidstaten bijvoorbeeld de vrijheid om te bepalen of energiegemeenschappen open moeten staan voor deelname door partijen uit aangrenzende lidstaten.
Energiewet
De energiegemeenschappen zijn in de Nederlandse wet geregeld in de Energiewet. Artikel 1.1 aanhef onder ‘energiegemeenschap’ definieert een energiegemeenschap als een “juridische entiteit die ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders activiteiten op de energiemarkt verricht en als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is, en niet is gericht op het maken van winst”.
Er is dus geen onderscheid per se tussen twee vormen van energiegemeenschap, wat wel het geval is in de Elektriciteitsrichtlijn en de RED-III. De gemeenschappen moeten volgens artikel 2.4 lid 1 van de Energiewet in hun statuten vastleggen dat participatie open en vrijwillig is en leden, vennoten of aandeelhouders vrij mogen vertrekken. De feitelijke zeggenschap ligt ook bij hen. Sommige afwijkingen mogen per statuut gemaakt worden. Marktdeelnemers mogen volgens artikel 2.3 lid 1 eindafnemers er niet van weerhouden om deel te nemen aan een energiegemeenschap. Bovendien hebben energiegemeenschappen volgens artikel 2.17 lid 2 geen vergunning nodig om energie of gas te leveren of te delen onder bepaalde voorwaarden.
Subsidieregeling Coöperatieve Elektriciteitsopwekking (SCE)
De Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking (SCE) is een invulling van de eisen onder de Elektriciteitsrichtlijn en de RED-III. De SCE maakt het mogelijk dat subsidie wordt verstrekt aan energiecoöperaties en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) voor het lokaal en gezamenlijk opwekken van hernieuwbare elektriciteit. Een coöperatie moet dan wel het principe van open en vrijwillige deelname hanteren, zoals voorgeschreven in de Elektriciteitsrichtlijn en de RED-III.
De subsidieregeling geeft invulling aan het nabijheidsprincipe voor hernieuwbare-energiegemeenschappen. Het nabijheidprincipe onder artikel 2 punt 16 van de RED-III vereist van een hernieuwbare-energiegemeenschap dat zij wordt bestuurd door aandeelhouders of leden die zich in de buurt van het hernieuwbare energieproject bevinden. Om te garanderen dat alleen productie-installaties met lokale participatie financieel worden gestimuleerd hanteert de subsidieregeling daarom een zogenoemde postcoderoos die bestaat uit een viercijferig postcodegebied plus de direct daaraan grenzende postcodegebieden. Volgens de Toelichting bij de SCE is dit een werkbare definitie en geschikte geografische maat voor lokaliteit (sectie 2.3). De leden van de betreffende coöperatie of VvE moeten gevestigd zijn in de postcoderoos; dan is voldaan aan het nabijheidsvereiste.
Decentrale relevantie energiegemeenschappen
Aangezien provincies, gemeentes en waterschappen betrokken zijn bij de energietransitie krijgen zij te maken met energiegemeenschappen. Zij kunnen energiegemeenschappen stimuleren en ondersteunen. Op basis van de RED-III kunnen lokale overheden en autoriteiten, waaronder gemeenten zelf, bijvoorbeeld lid worden van energiegemeenschappen. Decentrale overheden kunnen daarnaast hun eigen subsidieregeling opzetten. Hierbij dient wel gelet te worden op de staatssteunregels; steun aan energiegemeenschappen is niet zonder meer uitgezonderd van het staatssteunregime. Wel zijn er vrijstellingsmogelijkheden voor steun voor groene energie op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. Energiegemeenschappen bestaande uit VvE’s kunnen bijvoorbeeld economische activiteiten verrichten. Hiervoor is geen winstoogmerk nodig. Meer informatie over staatssteunregels en het subsidiëren van een VvE voor de isolatie van woningen vindt u in onze praktijkvraag.