Bioafval omvat volgens de Kaderrichtlijn Afvalstoffen biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, kantoren, restaurants, groothandel, kantines en cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie.
Bij het storten van bioafval kunnen broeikasgasemissies vrijkomen. De Europese Unie stelt daarom dat bioafval gescheiden moet worden ingezameld en recycling, compostering en vergisting moet worden aangemoedigd. Zo doelt vergisting op de anaerobe omzetting van organisch materiaal tot biogas en digestaat, in de afwezigheid van zuurstof. Dergelijke processen dragen volgens een onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat bij aan de circulariteit van bioafval, onder meer, door de nuttige toepassing van biogas en het gebruik van digestaat als meststof.
Daarnaast is de aparte inzameling en verwerking van bioafval is een belangrijk onderdeel van afvalbeheer en speelt een sleutelrol bij het behalen van de Europese recyclingdoelstellingen voor gemeentelijk afval. In Nederland valt het beheer van bioafval grotendeels onder de verantwoordelijkheid van gemeenten.
Europees bioafvalbeleid
Het beheer van bioafval valt onder diverse Europese wet- en regelgeving, zoals de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (KRA; 2008/98/EG), de Richtlijn Storten afvalstoffen (1999/31/EG) en de Richtlijn inzake industriële emissies (2010/75/EU).
Kaderrichtlijn Afvalstoffen
De Kaderrichtlijn afvalstoffen (KRA) is het hoofdzakelijke wettelijke kader voor de behandeling van afval in de EU. De Kaderrichtlijn afvalstoffen moedigt het scheiden, composteren en vergisten van bioafval aan. Artikel 22 KRA bepaalt dat bioafval gescheiden moet worden ingezameld. Dit betekent dat het niet gemengd mag worden met andere soorten afval, met uitzondering van afval met vergelijkbare biologische afbreekbaarheid en composteerbaarheid. Hiervoor moeten lidstaten recycling, compostering en vergisting aanmoedigen en het gebruik van met bioafval geproduceerd materiaal bevorderen.
Bovendien bepaalt Artikel 10 lid 4 dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat gescheiden ingezameld bioafval in beginsel niet wordt verbrand met het oog op hergebruik en recycling. Daarnaast dragen lidstaten op grond Richtlijn EU 2025/1892 verantwoordelijkheid voor de snelle vermindering van voedselverspilling. Deze richtlijn wijzigt de Kaderrichtlijn Afvalstoffen gericht en draagt onder meer bij aan de doelstelling om in 2030 voedselverspilling in de detailhandel en in huishoudens te halveren.
Richtlijn Storten Afvalstoffen
Het storten van onbehandeld biologisch afbreekbaar afval heeft nadelige gevolgen op het gebied van broeikasgasemissies en de vervuiling van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht. Zo komt methaan vrij bij het storten van biologisch afbreekbaar afval. Over de reductie van broeikasgassen zoals methaan zijn internationale afspraken gemaakt.
De Richtlijn Storten (1999/31/EG) heeft als doel om de schadelijke gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu en de volksgezondheid en de risico’s daarvan te voorkomen of zoveel mogelijk te verminderen. De richtlijn stelt doelstellingen vast voor het voorkomen en beperken van het storten van biologisch afbreekbaar afval. In 2018 is de richtlijn herzien om het storten van biologisch afbreekbaar afval verder te beperken.
Onder de richtlijn moeten lidstaten:
- een nationale strategie ontwikkelen en invoeren om de hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval voor de stort geleidelijk te verminderen. Hierbij moet rekening gehouden worden met hergebruik, compostering, productie van biogas en terugwinning van materialen energie;
- maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat alleen behandelde afvalstoffen worden gestort;
- op alle stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt gestort, het stortplaatsgas opvangen, behandelen en gebruiken. Als opgevangen gas niet voor energieproductie kan worden gebruikt, moet het worden verbrand.
Richtlijn emissiegrenswaarden biomassa
Bioafval is een biomassa en kan worden gebruikt als grondstof voor biobrandstoffen. Voor het verstoken van biomassa geldt Europese wet- en regelgeving. De Richtlijn inzake industriële emissies (RIE; 2010/75/EU) en de Richtlijn inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Richtlijn 2015/2193) stellen emissiegrenswaarden aan verontreinigende stoffen die bij het stoken van biomassa vrijkomen. Meer informatie over deze richtlijnen vindt u op onze pagina Industriële emissies.
Nederlands beleid en decentrale relevantie
Overheden dienen onder meer rekening te houden met de regels uit het Circulair Materialenplan wanneer ze vergunningen verlenen voor de verwerking van bioafval en andere initiatieven door bedrijven. De eerdergenoemde definitie van bioafval uit de Kaderrichtlijn Afvalstoffen is in de Wet milieubeheer overgenomen.
Het Circulair Materialenplan maakt onderscheid tussen verschillende soorten bioafval, zoals het Gft-afval van huishoudens of organisch agrarisch bedrijfsafval. Het plan geeft regels over het mengen en gescheiden houden van bioafval. Het noemt onder meer de plicht van de gemeente om ervoor te zorgen dat bioafval van huishoudens gescheiden wordt ingeleverd zoals uitgewerkt in het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen.
Daarnaast geeft het plan informatie over de toepassing en de minimumstandaard van verschillende verwerkingsopties. Zo wordt het recyclen van bioafval aangemoedigd, onder meer door het in te zetten als compost of meststof. Het verbranden van bioafval is alleen in uiterst specifieke gevallen toegestaan en het storten van bioafval is verboden. Voor de verwerking van bioafval is altijd een vergunning nodig vanwege de impact op het milieu.