Europees recht en beleid

Laatste update: 27 juli 2026

Contact: en


De eisen voor afvalwater zijn belangrijk voor het bereiken en behouden van een goede waterkwaliteit. De minimumeisen voor afvalwater worden daarom ook wel gezien als een basismaatregel in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW; Richtlijn 2000/60, meer informatie op onze hoofdpagina waterbeheer).

Afvalwater speelt daarnaast een belangrijke rol in de circulaire economie. Uit afvalwater kunnen grond- en voedingsstoffen teruggewonnen worden. Deze kunnen worden hergebruikt, bijvoorbeeld in de landbouw. Ook hiervoor heeft de EU regels opgesteld. 

Europees afvalwaterbeleid

Richtlijn Stedelijk Afvalwater 

De regels voor de behandeling van stedelijk afvalwater zijn hoofdzakelijk vastgelegd in de Richtlijn Stedelijk Afvalwater (Richtlijn 91/271/EEG) die stapsgewijs vanaf 2027 wordt ingetrokken door de nieuwe Richtlijn Stedelijk Afvalwater (Richtlijn 2024/3019). De Richtlijn 91/271 EEG bevatdefinities, principes, doelstellingen en methoden voor de opvang, behandeling en lozing van stedelijk afvalwater.  

Stedelijk afvalwater omvat volgens de Richtlijn zowel huishoudelijk afvalwater als mogelijke combinaties van huishoudelijk afvalwater, industrieel afvalwater en afstromend hemelwater. De Richtlijn verplicht lidstaten om in stedelijke gebieden met tenminste 2.000 inwoners het lokale afvalwater op te vangen. Het zuiveringsniveau hangt vervolgens af van de kwetsbaarheid van het waterlichaam waarin het afvalwater wordt geloosd. Uit de twaalfde evaluatie van de implementatie van de Richtlijn Stedelijk Afvalwater (2024) blijkt dat zestien lidstaten hun volledige grondgebied of al hun waterlichamen als kwetsbaar gebied hebben aangemerkt. Verder stelt de Richtlijn eisen aan opvangsystemen, waterzuiveringsinstallaties, industrieel afvalwater en zuiveringsslib. 

Stand van zaken: Nieuwe Richtlijn Stedelijk Afvalwater

In 2024 is een nieuwe Richtlijn Stedelijk Afvalwater (Richtlijn 2024/3019) aangenomen die vanaf stapsgewijs de oude Richtlijn vervangt. Daarmee wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) ingevoerd voor geneesmiddelen en cosmetica. Deze vormen namelijk de grootste bron van microverontreinigingen in stedelijk afvalwater. Door de UPV zullen producenten van geneesmiddelen en cosmetica vanaf de inwerkingtreding van de herziene richtlijn minstens 80% van de extra kosten voor de zuivering van afvalwater moeten dragen.

Daarnaast introduceert de nieuwe Richtlijn een energieneutraliteitsdoelstelling voor zuiveringsinstallaties: het minimale aandeel hernieuwbare energie (van alle energie die voor het zuiveringsproces wordt verbruikt) zal stapsgewijs omhooggaan van minimaal 20% in 2030 tot 100% in 2045. Dat wil zeggen dat alle stedelijke waterzuiveringsinstallaties die minstens 10.000 inwonerequivalenten (i.e.) behandelen in 2045 alleen energie verbruiken die ze zelf opwekken uit hernieuwbare bronnen.

Iedere vier jaar moeten de lidstaten een energie-audit uitvoeren voor de zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater en de daarop aangesloten opvangsystemen. Bij zuiveringsinstallaties met een grotere capaciteit (een vracht van 100.000 i.e.) moet de eerste energie-audit eind 2028 zijn uitgevoerd. Voor installaties met een minder grote capaciteit (tussen 10.000 en 100.000 i.e.) ligt de deadline op 31 december 2032.

Vanaf eind 2033 moeten de lidstaten volgens artikel 5 van de nieuwe Richtlijn een ‘geïntegreerd beheerplan voor stedelijk afvalwater’ vaststellen voor afwateringsgebieden met meer dan 100.000 inwoners. Deze beheerplannen bevatten oplossingen om de verontreiniging op lokaal niveau te verminderen. Ze worden ten minste elke zes jaar geëvalueerd en zo nodig bijgewerkt.  

Verder stelt de Richtlijn ook nieuwe normen voor microverontreinigingen en strengere monitoringseisen, onder andere voor microplastics.

Richtlijn Zuiveringsslib 

Door de uitvoering van de Richtlijn Stedelijk Afvalwater neemt de hoeveelheid zuiveringsslib toe. Zuiveringsslib is het restproduct na afvalwaterzuivering. Omdat zuiveringsslib rijk is aan voedings- en organische stoffen kan het worden hergebruikt in de landbouw als bodemverbeteraar. Het is daarmee een alternatief voor chemische meststoffen.

Om het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw te regelen en een juist gebruik ervan te bevorderen is Richtlijn 86/278/EEG opgesteld. De Richtlijn stelt onder andere vast dat het slib ten minste om de zes maanden moet worden geanalyseerd. Daarnaast legt de Richtlijn grenswaarden voor de concentratie van metalen vast. Bovendien verplicht de Richtlijn de lidstaten om bij te houden hoeveel slib is geproduceerd, welke behandelingsmethode het heeft ondergaan en de plaatsen waar het slib wordt gebruikt. Uit een evaluatie uit 2023 blijkt dat de Richtlijn Zuiveringsslib toegevoegde waarde heeft, maar dat de regelgeving wel aangepast moet worden naar de uitdagingen van de huidige tijd.  

In Nederland wordt zuiveringsslib niet hergebruikt in verband met milieueisen en de concurrentie met dierlijke mest. Zo zijn er zorgen rondom PFAS en microplastics. Zuiveringsslib wordt daarom in Nederland verbrand. 

Hergebruik van afvalwater 

Water is een schaarse grondstof. Om hergebruik van water mogelijk te maken, zijn er regels en minimumeisen voor het hergebruik van afvalwater opgesteld. De Verordening Waterhergebruik (Verordening 2020/741) is van toepassing op het hergebruik van gezuiverd stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie. Deze Verordening stelt minimumeisen aan de waterkwaliteit van herbruikbaar water en legt de toegestane irrigatiemethoden vast. Ook specificeert het voor welke gewascategorieën het water mag worden hergebruikt. Omdat de regels voor de minimumeisen voor hergebruik van water zijn vastgelegd in een verordening, zijn ze daarmee rechtstreeks van toepassing in elke lidstaat. De Commissie publiceerde in 2022 Richtsnoeren die een aantal administratieve verplichtingen en technische aspecten uit Verordening 2020/741 verduidelijken. 

Voor de productie en levering van teruggewonnen water is volgens artikel 6 van de Verordening een vergunning nodig. De waterterugwinningsvoorziening en andere verantwoordelijke partijen moeten de vergunning baseren op een risicobeheerplan. Hierin moet onder andere worden beschreven wat de risico’s zijn voor het milieu en de volksgezondheid. In het risicobeheerplan moet ook rekening worden gehouden met de vereisten en verplichtingen uit andere richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG), de Drinkwaterrichtlijn (Richtlijn 98/83/EG, nu vervangen door Richtlijn 2020/2184), de Grondwaterrichtlijn (Richtlijn 2006/118/EG), de Richtlijn Prioritaire Stoffen (Richtlijn 2008/105/EG)

Nationaal afvalwaterbeleid 

Stedelijk afvalwater 

Nederland heeft besloten artikel 5 leden 4 en 8 van de Richtlijn Stedelijk afvalwater toe te passen. Artikel 5 lid 4 vereist een algemeen verwijderingspercentage van 75 procent van de stikstof- en fosforbelasting in alle stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallaties. Door deze strengere behandeling hoeft Nederland volgens artikel geen kwetsbare gebieden aan te wijzen of de apparatuur en prestaties van afvalzuiveringsinstallaties te rapporteren. Wel moet Nederland de totale belasting van alle stikstof en fosfor verzamelen en rapporteren die in alle stedelijke waterzuiveringsinstallaties komen en worden geloosd.

De Richtlijn Stedelijk Afvalwater is in Nederland voornamelijk geïmplementeerd in de Omgevingswet en Algemene maatregelen van Bestuur onder de Waterwet, met name het Besluit activiteiten leefomgeving.. Daarnaast geldt op grond van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer de voorkeursvolgorde voor afvalwater. Dit principe geeft aan hoe er met afvalwater moet worden omgegaan: in eerste instantie moet het ontstaan van afvalwater worden voorkomen. Vervolgens moet afvalwater zo min mogelijk verontreiniging bevatten.

Hergebruik van afvalwater 

In Nederland is er geen specifiek beleid dat kwaliteitseisen stelt aan het gezuiverde afvalwater voor gebruik als irrigatiewater in de landbouw. Gezuiverd afvalwater voldoet aan de vereisten uit de Richtlijn Stedelijk Afvalwater. Lidstaten kunnen aanvullende voorwaarden stellen voor de waterkwaliteit, bijvoorbeeld op het gebied van zware metalen en zorgwekkend wordende stoffen. 

In het Grondstoffenakkoord is als doel gesteld om uiterlijk in 2050 een volledig circulaire economie tot stand te brengen. IPO, VNG en UvW maken deel uit van het uitvoeringsprogramma circulaire economie. 

Decentrale relevantie 

Gemeenten en waterschappen dragen zorg voor stedelijk afvalwater. Gemeenten dragen volgens artikel 2.16 lid 1 onder a.3 van de Omgevingswet zorg voor de inzameling van stedelijk afvalwater. Gemeenten kunnen hier volgens artikel 3.14 van de Omgevingswet invulling aan geven in een gemeentelijk rioleringsprogramma. De eisen die de Richtlijn Stedelijk afvalwater stelt aan de opvangsystemen voor afvalwater zijn dus relevant voor gemeenten. Opvangsystemen moeten bijvoorbeeld lekkages voorkomen en verontreiniging beperken. 

Waterschappen dragen volgens artikel 2.17 lid 1 onder a.2 van de Omgevingswet zorg voor de zuivering van stedelijk afvalwater. De eisen die de Richtlijn Stedelijk Afvalwater stelt aan het afvalwater, behandelingsmethoden en waterzuiveringsinstallaties zijn van toepassing op waterschappen. De Richtlijn stelt bijvoorbeeld eisen aan het aantal monsters en aan de biologische en chemische toestand van het gezuiverde afvalwater.

Provincies kunnen in een provinciale omgevingsverordening aanvullende eisen stellen bij waterlozingen op de bodem. Zo’n verordening wijst gebieden aan waar aanvullende eisen gelden ten opzichte van de algemene regels, bijvoorbeeld grondwaterbeschermingsgebieden. 

Verder zullen decentrale overheden te maken krijgen met Europese regels rond afvalwater bij het opstellen van de risicobeheerplannen, het verstrekken van vergunningen en het controleren op de naleving van gestelde eisen.