Europees recht en beleid

Laatste update: 7 juli 2026

Contact: en


CO2-emissiereductie is een essentieel onderdeel van het Europese klimaatbeleid. CO2 is een van de belangrijkste broeikasgassen die bijdragen aan klimaatverandering. Om verdere klimaatverandering te voorkomen zijn er zowel op Europees als op nationaal niveau afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.  

Deze onderwerppagina behandelt: 

  • Het EU-emissiehandelssysteem en de ETS-richtlijn; 
  • Broeikasgasemissies in de sector voor landgebruik, verandering van landgebruik en bosbouw en de LULUCF-verordening; 
  • Broeikasgasemissies in niet-ETS- en niet-LULUCF-sectoren en de Verordening verdeling inspanningen (ESR); 
  • Nationaal beleid, waaronder het Klimaatakkoord en het Klimaatplan 2025-2030; en 
  • Decentrale relevantie, waaronder de rol van decentrale overheden, staatssteun, aanbesteden en financiering. 

Klimaatdoelstellingen

De Overeenkomst van Parijs (2015) is een belangrijk kader voor de Europese aanpak van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat de wereldwijde temperatuur niet verder mag stijgen dan 2°C. Het streven is om de stijging onder de 1,5°C te houden. Om verdere klimaatverandering te voorkomen is de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen een belangrijke pijler binnen het Europees klimaatbeleid.  

De Europese Klimaatwet (Verordening 2021/1119) stelt vast dat de hele EU uiterlijk 2050 klimaatneutraal moet zijn. Dit betekent dat de netto-uitstoot van broeikasgassen in 2050 gelijk moet zijn aan nul. Om deze klimaatdoelstelling te behalen moet in 2030 in de hele EU de netto-uitstoot van broeikasgassen tenminste 55% verminderd zijn ten opzichte van 1990.  Deze doelstellingen zijn opgenomen in de Nederlandse  Klimaatwet. De Verordening 2026/667  die de Europese Klimaatwet herziet, introduceert een nieuwe tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040. Volgens het nieuwe artikel 4 lid 3 van de Europese Klimaatwet moet de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk 2040 zijn verminderd met 90% ten opzichte van 1990. Verder mogen de lidstaten internationale CO2-rechten met hoge integriteit gebruiken voor 5% van de te behalen 90% van de broeikasgasreductie ten opzichte van 1990, aldus artikel 4 lid 5 onder a. 

Europees beleid

Het Europees beleid op het gebied van broeikasgasemissie is verdeeld in ETS- (afgekort voor ‘Emission Trading System’ oftewel ‘emissiehandelssysteem’) en niet-ETS-emissies.  

EU-emissiehandelssysteem (ETS)

Het EU-emissiehandelssysteem is het belangrijkste instrument op het gebied van CO2-reductie en is vastgelegd in de veelvuldig herziene ETS-richtlijn (Richtlijn 2003/87/EG). De ETS-richtlijn is voor het laatst herzien op 29 februari 2024. Het ETS is gebaseerd op het marktgedreven “cap-and-trade”-beginsel. Dit betekent dat het ETS een plafond (een ‘cap’) instelt voor de totale hoeveelheid broeikasgassen die bedrijven mogen uitstoten mits zij een vergunning hebben. Bedrijven krijgen of kopen emissierechten en kunnen deze onderling verhandelen (‘trade’). Eén emissierecht staat gelijk aan de uitstoot van één ton kooldioxide-equivalent gedurende een bepaalde periode. Het aantal emissierechten is beperkt en daalt jaarlijks met een vastgestelde factor, zodat de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 kunnen worden behaald. 

Het ETS is van toepassing op de broeikasgassen vermeld in bijlage II, waaronder CO2 en methaan, en geldt voor grote hoeveelheid activiteiten vermeld in bijlagen I en III. Het ETS maakt onderscheid tussen het ETS1 en ETS2 die ieder van toepassing zijn op verschillende sectoren met hun eigen afzonderlijke emissierechtenplafonds en lineaire verminderingsfactoren die per jaar verschillen.  

  • Het ETS1 dekt de luchtvaart en zeevaart (Hoofdstuk II) en vaste installaties, zoals brandstofverbrandingsinstallaties en de productie van industriële materialen (Hoofdstuk III).  
  • Het ETS2 introduceert een nieuw aanvullend emissiehandelssysteem voor CO2-emissies in de gebouwensector, wegvervoerssector en aanvullende sectoren (Hoofdstuk IVbis). Het ETS2 zou in eerste instantie volledig operationeel zijn vanaf 2027, maar met het oog op een soepele overgang stelt de Verordening 2026/667 de inwerkingtreding van het ETS2 uit met één jaar naar 2028. 

De nationale toezichthouder voor het ETS is de Nederlandse Emissieautoriteit. Meer informatie over het ETS en de uitvoering op nationaal niveau vindt u verder onder het kopje ‘Nationaal beleid’.  

Broeikasgasemissies in de LULUCF-sector  

De herziene LULUCF-verordening (Verordening 2018/841) legt verplichtingen op aan de lidstaten met betrekking tot broeikasgasemissies en broeikasgasverwijderingen in de LULUCF-sector (afgekort voor ‘Land Use, Land Use Change and Forestry’ oftewel ‘landgebruik, verandering van landgebruik en bosbouw’). De LULUCF-sector is de enige sector waar verwijderingen van CO2 uit de atmosfeer zijn toegestaan door de opslag van koolstof in biomassa, zoals in hout, planten en de bodem.  

Artikel 4 lid 2 stelt het streefcijfer voor 2030 van 310 miljoen ton CO2-equivalent aan nettobroeikasgasverwijderingen in de hele EU in 2030 vast. Om dit doel te bereiken geldt er voor iedere lidstaat een bindend nationaal streefcijfer voor 2030, zoals vermeld in Bijlage II bis. Tot slot bevat de Verordening een reeks algemene en sectorspecifieke boekhoudregels om de prestaties van de LULUCF-sector te monitoren, te rapporteren en te beoordelen. 

Niet-ETS- en niet-LULUCF-sectoren: Verordening verdeling inspanningen (ESR) 

Sectoren die buiten het ETS1 of ETS2 volgens bijlage I van de ETS-richtlijn of de LULUCF-sector volgens de LULUCF-verordening vallen, zijn nog steeds onderhevig aan broeikasgasemissieregels die zijn vastgelegd in de herziene Verordening verdeling inspanningen (Verordening 2018/842). Deze Verordening wordt vaak afgekort naar ‘ESR’ wat staat voor ‘Effort Sharing Regulation’. De ESR geldt voor broeikasgasemissies van energie, industriële processen en gebruik van producten, landbouw en afval (artikel 2 lid). Met het oog op het streven naar klimaatneutraliteit in 2050 stelt bijlage I van de ESR voor iedere lidstaat een nationale broeikasgasemissiereductiedoelstelling vast voor 2030. Het EU-wijde doel is om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 40% te verminderen ten opzichte van 2005. In Nederland gaat het om een vermindering van ten minste 48% ten opzichte van 2005.  

Ieder lidstaat moet ervoor zorgen dat de jaarlijkse broeikasgasemissies per lidstaat niet hoger liggen dan de jaarlijkse emissiegrenswaarden per lidstaat, aldus artikel 4 lid 2 van de ESR. Iedere lidstaat wordt een jaarlijkse emissieruimte toegewezen, zoals vastgelegd in bijlage II van het Uitvoeringsbesluit 2025/1405

Tot slot kunnen negen lidstaten, waaronder Nederland een beperkte hoeveelheid ETS-emissierechten gebruiken om te voldoen aan de ESR-emissieverplichtingen (zogenaamde ‘ETS-flexibiliteit’). Bovendien kunnen volgens artikel 7 onder bepaalde voorwaarden de nettoverwijderingen in de LULUCF-sector worden meegenomen in de naleving van de ESR-verplichtingen.  

Nationaal beleid

Net als de Europese Klimaatwet legt de Nederlandse Klimaatwet de doelstelling vast om in 2030 de netto-uitstoot van broeikasgassen met tenminste 55% te verminderen ten opzichte van 1990 en in 2050 klimaatneutraal te zijn.  

Het ETS is opgenomen in de Wet milieubeheer. De uitvoering van het ETS is voornamelijk de taak van de Rijksoverheid. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is de nationale toezichthouder en uitvoerder van de Nederlandse emissiehandel en vergunningverlener.  

In 2019 zijn de emissiereductiedoelstellingen voor de niet-ETS-sectoren in Nederland opgenomen in het Klimaatakkoord. Hierin staat dat Nederland de uitstoot van broeikasgassen terug moet dringen naar 49% in 2030 ten opzichte van 1990. Deze doelstelling is in 2023 met het Aanvullend Klimaatpakket verhoogd naar 55% in 2030. Vervolgens moet in 2050 de uitstoot van broeikasgassen met 95% zijn afgenomen ten opzichte van 1990 en de elektriciteitsproductie volledig CO2-neutraal zijn. Het Klimaatplan 2025-2035 ziet de realisatie van ongeveer 90% broeikasgasreductie in 2040 als een logisch tussendoel richting klimaatneutraliteit in 2050.  

Het Klimaatakkoord richt zich op de sectoren elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik en mobiliteit. De belangrijkste afspraken uit het Klimaatakkoord zijn: 

  • Elektriciteit: In 2030 komt 70% van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. 
  • Gebouwde omgeving: In 2050 moeten 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af. Als eerste stap dienen in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd te zijn. 
  • Industrie: In 2050 is de industrie circulair en stoot vrijwel geen broeikasgas meer uit. De fabrieken draaien op duurzame elektriciteit uit zonne- en windenergie of energie uit aardwarmte, waterstof en biogas. 
  • Landbouw en landgebruik: In 2050 moet de landbouw en het landgebruik klimaatneutraal zijn. 
  • Mobiliteit: Mobiliteit in 2050 is emissieloos en van hoge kwaliteit. 

Decentrale relevantie

Decentrale overheden voeren een groot deel van het Europese en nationale CO2-reductiebeleid uit. Zij hebben namelijk brede bevoegdheden in de sectoren industrie, landbouw, mobiliteit, elektriciteit en woningbouw, denk aan ruimtelijke inrichting, verduurzaming en vergunningverlening. Zo kan een decentrale overheid bijdragen aan het beperken van CO2-emissies door het vastleggen van nul-emissies voor doelgroepenvervoer of het verlenen van omgevingsvergunningen voor wind- en zonneparken om de energietransitie te bevorderen. 

Verder biedt de EU mogelijkheden aan decentrale overheden om de energietransitie in sectoren zoals vervoer, landbouw of steun voor MKB te bevorderen via het staatssteunrecht. In 2025 heeft de Europese Commissie de ETS-staatssteunrichtsnoeren gewijzigd, waardoor lidstaten hogere compensatie kunnen toekennen aan een bredere groep bedrijven voor indirecte ETS-kosten ontstaan door verhoogde elektriciteitsprijzen. Bovendien kunnen decentrale overheden CO2-reductie en de energietransitie stimuleren door middel van verantwoord aanbesteden, waaronder circulair aanbesteden en duurzaam aanbesteden.   

Financiering

Tot slot zijn er mogelijkheden binnen de financiële instrumenten van de EU om CO2-reductie te ondersteunen. Het Sociaal Klimaatfonds (SKF) moet de gevolgen van het ETS2 verzachten door financiële ondersteuning te verlenen voor bijvoorbeeld de renovatie van gebouwen en de verduurzaming van publieke en private infrastructuur.  Ongeveer driekwart van de 86,7 miljard euro in het SKF komt uit de EU-begroting. De rest wordt door de lidstaten geleverd via cofinanciering. Het geld kan worden gebruikt voor tijdelijke inkomenssteun, en vooral voor structurele investeringen: woningisolatie, energie-efficiëntie en emissievrije mobiliteit.  

De lidstaten moeten op nationaal niveau invulling geven aan de uit het SKF voortkomende beschikbare subsidie. De Rijksoverheid heeft op 2 februari 2026 het Nederlandse Sociaal Klimaatplan (SKP) ingediend bij de Europese Commissie. Het SKP bestaat uit vijf onderdelen (Het Energiehuis, Nationaal Warmtefonds, Uitfasering Energielabels EFG in de huursector per 2029, Fixteams voor micro-ondernemers en het Publiek Energiefonds). De overheid heeft gekozen voor een decentraal model in het SKP. Dat betekent dat voornamelijk gemeenten een centrale rol vervullen in de verlening van subsidie uit Energiehuis, Fixteams voor micro-ondernemers en Publiek Energiefonds. 

Verder heeft de Europese Investeringsbank op 4 februari 2026 3 miljard euro extra beschikbaar gesteld via de ETS2 voorfinanciering om huishoudens en bedrijven met minder veerkracht al eerder financieel te ondersteunen bij verduurzaming.  

Het Just Transition Mechanism (JTF) biedt steun aan regio’s die economisch relatief sterk afhankelijk zijn van inkomsten en werkgelegenheid van fossiele brandstoffen. Het JTF is een fonds waar ook decentrale overheden aanspraak op kunnen maken. 

Meer informatie over Europese fondsen en subsidies is te vinden in onze EU-fondsenwijzer