Wil een overheidsorganisatie compensatiesteun voor het verrichten van Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) verlenen? En voldoet deze compensatiesteun wel aan de eerste drie voorwaarden van het Altmark-arrest, maar niet aan de laatste voorwaarde, dat de aanbieder is geselecteerd op basis van een aanbesteding of een benchmark? In dat geval is er sprake van staatssteun, die ‘staatssteunproof’ kan worden verleend op basis van de staatssteunregels voor DAEB. Op deze pagina wordt het voor DAEB-compensatie geldende pakket met staatssteunregels besproken, namelijk de DAEB De-minimisverordening, het DAEB-Vrijstellingsbesluit, de DAEB-Kaderregeling en de DAEB Mededeling. Welke regeling dan toepasselijk is, is onder andere afhankelijk van de hoogte van het steunbedrag. In ieder document worden aparte eisen gesteld met betrekking tot melding en rapportage van de voorgenomen steun aan de Europese Commissie.
DAEB De-minimisverordening
De DAEB De-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 2023/2832) staat los van de reguliere De-minimisverordening. Een onderneming mag op basis van de DAEB De-minimisverordening maximaal € 750.000,- aan DAEB de-minimissteun ontvangen binnen een periode van drie kalenderjaren.
Vanaf 1 januari 2026 worden lidstaten verplicht om verleende DAEB de-minimissteun in een centraal register op nationaal of EU-niveau te registreren. Nederland gaat gebruik maken van het centrale EU-register, het eAidRegister
Wanneer een decentrale overheid op grond van deze verordening de-minimissteun wil verlenen, moet zij de betrokken onderneming schriftelijk in kennis stellen van: het voorgenomen steunbedrag; de dienst van algemeen economisch belang waarvoor de steun wordt verleend, en het de-minimiskarakter van de steun. De decentrale overheid moet, voordat zij de steun toekent, een verklaring van de betrokken organisatie verkrijgen over alle andere de-minimissteun die zij in de loop van de drie voorgaande kalenderjaren op grond van deze verordening of andere de-minimisverordeningen heeft ontvangen.
Op basis van de DAEB de-minimisverordening kunnen overheden ondernemingen, ten behoeve van de uitvoering van een DAEB, tot € 750.000,- aan de-minimis steun verlenen, zonder dat dit als staatssteun wordt aangemerkt. Ten aanzien van zogeheten cumulatie (samenloop) met reguliere de-minimissteun, bepaalt artikel 5 lid 1 van de DAEB de-minimisverordening dat de-minimissteun op grond van de DAEB de-minimisverordening met reguliere de-minimissteun mag worden gecumuleerd. De cumulatie kan in dat geval over een periode van drie jaar tot €1.050.000,- oplopen (DAEB €750.000,- en regulier €300.000,-).
DAEB Vrijstellingsbesluit
Als een decentrale overheid DAEB compensatiesteun op basis van het DAEB-Vrijstellingsbesluit (Besluit (EU) 2025/2630) verleent, hoeft zij de steun niet eerst bij de Europese Commissie te melden. De compensatiesteun moet voldoen aan alle voorwaarden uit het besluit. Vanaf 1 januari 2028 moeten decentrale overheden daarnaast alle steun boven € 1 miljoen per onderneming en per DAEB tijdens de toewijzingsperiode registreren in een centraal register, naar verwachting via eAir (art. 8(1)). De tweejaarlijkse rapportageverplichting is bij de herziening van het DAEB-besluit vervallen (preambule para 43).
Het Vrijstellingsbesluit biedt ruimte voor decentrale overheden om DAEB te compenseren die gericht is op publieke en sociale dienstverlening op decentraal niveau.
Overheden die DAEB-compensatiesteun onder het DAEB-Vrijstellingsbesluit willen vormgeven moeten rekening houden met de voorwaarden uit het besluit, waaronder het algemene compensatieplafond. Dit betreft een jaarlijks brutobedrag van € 20 miljoen per onderneming die een DAEB verricht (art. 2(1)(a)). Wanneer het compensatiebedrag gedurende de toewijzingsperiode varieert, moet het jaarlijkse bedrag worden berekend als het gemiddelde van de jaarlijkse compensatiebedragen die naar verwachting gedurende die toewijzingsperiode zullen worden toegekend (art. 2(2)).
Voor DAEB-steun op basis van het DAEB-Vrijstellingsbesluit met betrekking tot sociale behoeften geldt geen plafond. Dit geldt onder andere voor DAEB’s op het gebied van zorg en kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt en herintreding, sociale huisvesting en zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen en met inbegrip van toegankelijkheid en diensten voor hulptechnologie voor mensen met een beperking (art. 2(1)(c)).
Uitbreiding van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit
In het huidige DAEB Vrijstellingsbesluit is het toepassingsgebied uitgebreid met artikelen 2(1)(d) en (e). Volgens de preambule (para 15/17) zijn er drie mogelijkheden onder het uitgebreide toepassingsgebied:
- Sociale huisvesting (gesloten systeem), waarbij wettelijke instellingen (lees: toegelaten instellingen volgens de Woningwet; de woningcorporaties) exclusief belast mogen worden en blijven met sociale huisvesting.
- Betaalbare huisvesting (open systeem), waarvoor in principe geldt dat selectie (bijv. via subsidie of via een ander financieel instrument) moet plaatsvinden onder gelijke voorwaarden, waarbij uiteraard wel materiele voorwaarden gesteld mogen worden aan de duur, kwaliteit, prijs, en overige relevante criteria.
- Een mix van betaalbare en sociale huisvesting. In dat laatste geval gelden de regels voor sociale huisvesting als het “merendeel” van het project over sociale huisvesting gaat en slechts een “beperkt” gedeelte over betaalbare huisvesting. In dat scenario is het mogelijk dat vooral corporaties deze gemengde projecten zullen uitvoeren. Gaat het bijvoorbeeld om een project met in hoofdzaak sociale huisvesting en zijn de betaalbare huisvestingen kwalitatief vergelijkbaar dan zal een dergelijk project mogelijk door een woningcorporatie kunnen worden uitgevoerd (red. denk aan 80% sociale en 20% betaalbare huur). Gaat het merendeel over betaalbare huisvesting, dan zou de decentrale overheid bijvoorbeeld via een subsidietender of een andere procedure met gepaste openbaarmaking ervoor moeten zorgen dat zowel particuliere verhuurders/ investeerders alsook corporaties in aanmerking moeten kunnen komen voor subsidie.
Voor de betaalbare en gemengde huisvesting mogen alle ondernemingen worden belast met een aanvullende DAEB, mits ze voldoen aan het Vrijstellingsbesluit, relevante artikelen, bijlage en paragrafen daarvan. Daarbij is van belang dat onderneming(en) via een selectieprocedure, op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden, worden geselecteerd. De rechtsvorm van een onderneming mag daarbij geen selectiecriterium zijn. Wel kan in de praktijk een subsidieregeling mogelijk leiden tot meer inschrijvingen door bijvoorbeeld woningcorporaties en bepaalde ontwikkelaars vanwege de materiële subsidievoorwaarden voor een bepaald project, mits deze worden toegepast op objectieve en niet-discriminerende wijze. Een goede beleidsmotivatie ten aanzien van de keuze waarom een bepaalde corporatie of projectontwikkelaar de meest geschikte partij blijkt te zijn, naar aanleiding van de selectiecriteria en de projectvoorwaarden, is noodzakelijk. Ook een eerder uitgevoerde marktverkenning of marktconsultatie kan daarbij nuttig zijn om bijvoorbeeld een gebrek aan marktinitiatief vast te stellen. De factoren die van belang zijn bij het omschrijven van DAEB’s voor betaalbare huisvesting worden beschreven in overwegingen 15-17 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit.
Een uitgebreide toepassing van criteria en voorwaarden voor zowel sociale als betaalbare huisvesting is opgenomen in de Bijlage van het DAEB- Vrijstellingsbesluit (EU) 2025/2630. Decentrale overheden dienen hieraan te voldoen.
Voor meer informatie zie: Sociale en betaalbare huisvesting
Daarnaast zijn ook de compensatiedrempels ten behoeve van het verrichten van een DAEB voor lucht- of zeeverbindingen met eilanden aangepast (red. zie hiervoor artikel 2(f) en (g)).
Overgangsbepalingen: Het oude DAEB Vrijstellingsbesluit en het nieuwe DAEB Vrijstellingsbesluit
Indien een decentrale overheid vóór 8 januari 2026 een DAEB heeft toegewezen op basis van het oude DAEB-Vrijstellingsbesluit 2012/21/EU, blijft de betreffende steunmaatregel gedurende een periode van nog eens twee jaar vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe besluit (8 januari 2026) verenigbaar met de interne markt en daarmee ook vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting (art. 9(a)).
Voor sociale DAEB’s die onder het oude DAEB-vrijstellingsbesluit 2012/21/EU zijn toegewezen en die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe besluit van kracht zijn geworden, geldt dat de steunmaatregelen verenigbaar blijven met de interne markt en vrijgesteld zijn van de aanmeldingsverplichting tot het einde van de looptijd van het toewijzingsbesluit (art. 9(b)).
Steunregelingen of individuele steunmaatregelen die al vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Vrijstellingsbesluit van kracht waren en die onder de oude Vrijstelingsbesluit 2012/21/EU niet verenigbaar waren met de interne markt en ook niet waren vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, worden alsnog geacht verenigbaar te zijn met de interne markt en vrijgesteld te zijn van de aanmeldingsverplichting, mits zij voldoen aan de voorwaarden van dit besluit, met name die van artikel 2(3).
Ook hier geldt dat de rapportageverplichtingen die voortvloeien uit het oude Vrijstellingsbesluit 2012/21/EU, worden geschrapt (preambule, para 43). Het aanleveren van een rapportage over 2024 en 2025 is niet verplicht, maar kan nog wel op vrijwillige basis worden ingediend. De Europese Commissie verstrekt nadere informatie voordat de nieuwe transparantieverplichtingen in 2028 van toepassing worden. Wel wordt aangeraden om intern Diensten van Algemeen Economisch Belang te blijven registreren.
DAEB Kaderregeling
Kan compensatiesteun niet ingericht worden volgens de eisen die het Altmark-arrest daaraan stelt? En is het eveneens niet mogelijk deze onder de reikwijdte van het DAEB Vrijstellingsbesluit of de DAEB De-minimisverordening te plaatsen? Dan kan de Europese Commissie de DAEB compensatiesteun verenigbaar met de interne markt verklaren op basis van de Kaderregeling DAEB (Mededeling 2012/C 8/03). Via een meldingsprocedure dient de Europese Commissie eerst goedkeuring te geven, voordat de steun kan worden verleend. Dit geldt voor DAEB compensatiesteun boven de € 15 miljoen op jaarbasis (zogenaamde ‘grote DAEB-steun’). Uitgezonderd van deze meldingsplicht zijn jaarlijkse compensaties boven de € 15 miljoen alleen mogelijk voor de speciale uitzonderingscategorieën die het DAEB Vrijstellingsbesluit in artikel 2 noemt. Voor deze categorieën van DAEB geldt het plafond van € 15 miljoen niet.
DAEB Mededeling
In de DAEB Mededeling (Mededeling 2012/C 8/02) verduidelijkt de Europese Commissie een aantal staatssteunbegrippen en geeft zij een nadere invulling aan de toepassingsvoorwaarden voor het compenseren van de kosten van een DAEB.