×
Europees recht en beleid

Laatste update: 6 september 2022

Contact:


Decentrale overheden hoeven ondernemers die gevestigd zijn in landen buiten de EU (‘derde landen’) niet tot hun aanbestedingsprocedures toe te laten. Er zijn echter wel uitzonderingen hierop. Met sommige derde landen heeft de EU in multi- of bilaterale verdragen afspraken gemaakt over de toegang tot elkaars aanbestedingsmarkt. In dat geval mogen EU-lidstaten geen minder gunstige voorwaarden toepassen op ondernemers uit derde landen dan op ondernemers uit EU-lidstaten. Decentrale overheden moeten deze regels ook volgen. In dit verband heeft de Europese Commissie in 2019 Richtsnoeren voor de deelname van inschrijvers en goederen uit derde landen aan de aanbestedingsmarkt van de EU gepubliceerd.

Wat is de Government Procurement Agreement (GPA)?

De Overeenkomst inzake overheidsopdrachten is een multilateraal verdrag dat is gesloten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Deze overeenkomst is ook wel bekend onder haar Engelse benaming als de ‘Agreement on Government Procurement’ (GPA). Artikel 25 van Richtlijn 2014/24 en artikel 43 van Richtlijn 2014/25 regelen de toepassing van de GPA in de EU. De daarin vervatte bepalingen zijn in Nederland geïmplementeerd in artikel 1.23 van de Aanbestedingswet 2012. Een toelichting van de Europese wetgever is te vinden in overwegingen 17 en 18 van de considerans bij Richtlijn 2014/25 en overwegingen 27 en 28 van de considerans bij Richtlijn 2014/25.

Wanneer de GPA van toepassing is, mogen leveranciers uit derde landen geen minder gunstige behandeling krijgen dan ondernemers uit de EU. Decentrale overheden moeten ondernemers uit landen zoals Noorwegen of Australië die partij zijn bij de GPA dus wél tot hun aanbestedingsprocedures toelaten. Dit geldt overigens alleen bij opdrachten die de toepasselijke drempelwaarde van de GPA overschrijden. Deze bedragen zijn gelijk aan de Europese drempelwaarden. In deze lijst ziet u welke landen zijn aangesloten bij de GPA.

Europese aanbestedingsrichtlijnen

De aanbestedingsrichtlijnen 2014/23 (concessies) en 2014/24 (klassieke opdrachten) bieden geen algemeen kader voor de behandeling van inschrijvingen uit derde landen voor opdrachten voor werken, leveringen en diensten op de interne markt. In de artikelen 85 en 86 van Richtlijn 2014/25 (speciale sectoren) zijn wel enkele specifieke regels vervat. Zo staat in artikel 85 dat een inschrijving voor een opdracht voor leveringen kan worden afgewezen, wanneer het aandeel van de uit derde landen afkomstige producten meer dan 50% uitmaakt van de totale waarde van de producten waarop deze inschrijving betrekking heeft. Als er twee of meer gelijkwaardig zijn, moet bovendien de voorkeur worden gegeven aan de inschrijving die niet op basis van deze regel kan worden afgewezen. Dit is in Nederland geïmplementeerd in artikel 3.76 van de Aanbestedingswet 2012.

Europese inschrijvers bij overheidsopdrachten buiten de Europese Unie

Europese bedrijven kunnen hun goederen en diensten ook aan publieke instellingen in derde landen aanbieden. Helaas staan er wereldwijd nog maar weinig aanbestedingen open voor internationale inschrijvers. Daarom is het Internationaal Aanbestedingsinstrument in het leven geroepen. Dit instrument is erop gericht om EU-ondernemers even veel kans te laten maken op een opdracht als niet-EU-bedrijven, waardoor er een gelijk speelveld ontstaat.

Hoe werkt het Internationaal Aanbestedingsinstrument?

De verordening stelt de Europese Commissie in staat om bij bepaalde maatregelen of praktijken van derde landen een onderzoek in te stellen. Als hieruit blijkt dat er discriminatoire beperkingen naar Europese goederen, diensten of leveranciers toe zijn, zal de Commissie het land in kwestie verzoeken om zijn aanbestedingsmarkt open te stellen en de maatregel of praktijk te corrigeren. Als dit niet tot verbetering van de toegang leidt kan de Commissie, op grond van de verordening, door middel van een uitvoeringshandeling een IIO-maatregel vaststellen. Vervolgens kan de Commissie besluiten om de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit een derde land tot aanbestedingsprocedures te beperken door bepaalde verplichtingen op te leggen. Eén van die verplichtingen is een scoreaanpassing opleggen aan de inschrijvingen.

Er gelden wel enkele uitzonderingen op de werking van het instrument. Deze dienen er ook toe dat de EU dit gereedschap niet zelf voor protectionistische doelen kan gebruiken. Zo zal de Commissie geen onderzoek starten naar bedrijven uit minst ontwikkelde landen of kwetsbare ontwikkelingslanden. Ook is het prijsinstrument alleen van toepassing op aanbestedingsprocedures met een geschatte waarde van ten minste vijftien miljoen euro exclusief btw voor werken en concessies en vijf miljoen euro exclusief btw voor goederen en diensten.